Arbeidsmoraal en uitkeringsstrijd

Op deze pagina staan alle stukken die betrekking hebben op het thema arbeid. Voor een algemene introductie klik hier. Door diverse mensen zijn de volgende artikelen ingestuurd:


Generaal Melkert



De invoering van de nieuwe bijstandswet betekent een grotere repressie voor de betreffende uitkeringsgerechtigden.
1. Een strenger toezicht op de naleving van de sollicitatieplicht: het idee van passende arbeid is verlaten, men dient vanaf nu maar gewoon alles aan te pakken. Het in een sociaal jasje gestoken beleid van individuele trajectbegeleiding dat een aantal jaren eerder bij SZ (Sociale Zaken, voorheen de Sociale Dienst) in zwang was, (wij hebben tot nu alsmaar van U geëist, nu willen we ook eens wat voor U doen), is inmiddels weer van de baan.
2. Meer kortingen: als er niet genoeg sollicitatiebrieven zijn, als er niet breed genoeg georiënteerd is, of als men weigert zich verplicht te werk te laten stellen, wordt een deel van het inkomen in beslag genomen.
3. Uitgesproken onvriendelijke toonzetting in circulaires en andere post van SZ: kortaf, eenzijdig gericht op verplichtingen en altijd vergezeld van exorbitant hoge straffen als het stopzetten van de uitkering. Het zoekraken van SZ post bij de posterijen kan iemand een compleet maandinkomen schelen.
4. Manipulatie en leugenachtigheid: de nieuwste vinding van SZ is mensen enkele dagen na een gesprek te confronteren met een brief waarin de zogenaamd gemaakte afspraken keurig op een rijtje zijn gezet. Soms is in het gesprek hooguit het desbetreffende onderwerp aan de orde geweest, soms zelfs helemaal niet.
5. Een algehele campagne middels folders en reclamespotjes die uitkeringsgerechtigden het idee moet geven dat ze lamlendig aan de kant zitten, dat het nu uit is met hun luizenleventje, en dat ze maar het beste zelf in actie kunnen komen voordat ze ertoe gedwongen zullen worden.

Spierballentaal
Het beleid is er kortom op gericht de grond onder de voeten van de uitkeringsgerechtigden heet te stoken. Voor dit mensonterende beleid is geen enkele rechtvaardiging voorhanden. Want welk maatschappelijk probleem denkt SZ met deze actie uit de wereld te kunnen helpen? Toch niet de werkloosheid, want om die te bestrijden moet je betaald werk creëren en niet de werklozen gaan zitten treiteren. Dat het toch op deze lafhartige wijze wordt geprobeerd komt naar mijn mening doordat de overheid wel macht heeft over de werklozen, maar nauwelijks macht over de werkgelegenheid. De verwoede ijver van SZ kan dan ook niet anders geïnterpreteerd worden dan als een produkt van machteloosheid. Men doet plichtsgetrouw wat binnen het vermogen ligt, maar door gebrek aan visie wordt de plank mis geslagen. Een leus als: 'In Utrecht blijft er niemand aan de kant staan' (SZ-Utrecht in voorlichtingsfolder over de nieuwe bijstandswet), verwordt in dit licht tot een zielig soort van spierballentaal. Toch is dit niet het moment om medelijden te hebben, omdat duizenden mensen zich moreel, en velen inmiddels ook financieel, in hun bestaan bedreigd voelen. Een ernstige zaak.
Nogmaals: welk maatschappelijk probleem denkt men op te kunnen lossen met de nieuwe tactieken? Waar in ieder geval niet aan gewerkt wordt is de positie en het welzijn van de werklozen. In dat geval zou er namelijk naar hen geluisterd worden, en zou men vernemen dat er geen vraag is naar meer dwang en controle, maar behoefte aan ondersteuning. Allereerst door op te houden werklozen als inactieven te betitelen en hen moreel kapot te maken. Verder door werklozen vrij te laten in hun doen en laten. De ambitie van SZ hoeft echt niet verder te gaan dan te fungeren als een goed geoliede uitkeringsfabriek. Willen ze per se meer doen, dan kunnen ze beginnen met het verhogen van de status van onbetaald vrijwilligerswerk. Want door die lage status, en doordat mensen zich op dit moment gedwongen voelen vrijwilligerswerk te gaan doen (en dat remt), blijven er op dat gebied zeer veel kansen liggen. Alleen als de status van vrijwilligerswerk wordt gelijkgesteld aan die van betaald werk, kan er een vrijwilligerswerkmarkt tot bloei komen met een groot maatschappelijk nut. Helaas komt de praktijk van dit moment neer op mensen krampachtig in de richting duwen van betaald werk dat er niet is.
Wat de gemoederen bij SZ in beweging zet is het probleem van de werkloosheid. Als probleem is de werkloosheid echter nauwelijks nog geloofwaardig. Welke essentiële maatschappelijke taken blijven er liggen als gevolg van de werkloosheid? Blijven de gewassen op het land staan omdat de boeren te lui zijn, of geen personeel kunnen vinden? Slechts de tuinbouwers die het in hun hoofd halen om van het ene op het andere jaar in the-middle-of-nowhere 10 hectare of meer, arbeidsintensieve teelten te zetten, komen in de problemen. Je kunt niet verwachten dat er door het hele land bussen met werklozen rondkarren, om de fratsen van onverantwoordelijke ondernemers recht te trekken. Blijft het vuilnis op straat liggen omdat er niemand te porren zou zijn het op te halen? Niets van dat alles is ook maar enigszins aan de orde. Er is welvaart, er is rijkdom, er is overvloed. Overal in Nederland wordt gebouwd, de dijken worden verhoogd, er worden compleet nieuwe stadsdelen uit de grond getrokken, iedereen is mobiel, er zijn feesten waar mensen plezier maken, er wordt vakantie gevierd, en ga zo maar door. Er is niets dat een werkloze ook maar één seconde het gevoel zou kunnen geven dat er in dit land méér gewerkt zou moeten worden. Er zijn natuurlijk wel problemen, denk maar aan het milieu, derde wereld, discriminatie, enz. Op die gebieden valt er een hoop te doen. Veel van die problemen worden deels echter juist veroorzaakt doordat er te véél werk wordt verricht, en er te véél wordt geproduceerd. Voorzover die problemen met arbeid te maken hebben zal de oplossing dus eerder gevonden moeten worden in het ombuigen van bestaande arbeid (anders èn minder). Werkloosheid is wel een probleem voor hen die als gevolg van de werkloosheid niet aan slag komen in hun beroep. Ook voor hen is het echter niet nodig nieuwe banen te creëren (als dat al mogelijk of goed zou zijn). Zij zouden zijn geholpen wanneer het bestaande werk zou worden herverdeeld. Arbeidstijdverkorting dus. Dan kan worden afgerekend met scheefgegroeide situaties waarin de ene arts zich 70 uur per week overwerkt en geen tijd heeft om nog eens van iets anders in het leven te genieten, en de andere arts zich via een uitzendbureau mag gaan staan vervelen achter de afwasmachine van een ziekenhuis, en zich mag troosten met de gedachte dat-ie zich 'breed heeft georiënteerd'.

Paradoxen
De werkloosheid is een structureel verschijnsel geworden. In plaats van je gewoon bij de werkloosheid neer te leggen, of aan arbeidstijdverkorting te gaan doen, komt SZ met de zogenaamde additionele arbeid. Kunstbanen waarmee wordt geprobeerd om werklozen het argument uit de mond te nemen dat er geen werk is. Met de additionele arbeid betreden we een echter wereld vol paradoxen:

1. Met additionele arbeid mag geen betaald werk worden verdrongen.
2. Het nut van werk wordt afgemeten aan het feit dat het wordt betaald.
Conclusie: additionele arbeid mag niet nuttig zijn.

1. Additionele arbeid moet via werkervaring leiden tot een betaalde baan.
2. Additionele arbeid mag het betaalde werk niet verdringen en mag dus niet lijken op het werk van de betaalde baan.
Conclusie: additioneel werk is de meest belabberde stageplaats die een werkloze zich maar kan voorstellen.

1. Additionele arbeid moet een algemeen maatschappelijk nut dienen.
2. Veel betaalde arbeid dient een tegenmaatschappelijk nut.
Conclusie: additionele arbeid als leerervaring diskwalificeert de kandidaten voor het overgrote deel van de betaalde arbeid.

1. Additionele arbeid mag het betaalde werk niet verdringen maar moet wel maatschappelijk nuttig zijn.
2. Bezuinigingen mogen veel maatschappelijk nuttige betaalde arbeid wel verdringen.
Conclusie: maatschappelijk nuttige additionele arbeid kan met name worden gevonden op plaatsen waar dit in een eerder stadium is wegbezuinigd. Deze additionele arbeid is weliswaar nuttig maar staat gelijk aan dat wat traditioneel ondergewaardeerd was. In de tijd gezien vervangt additionele arbeid op grote schaal betaalde arbeid.

De algehele conclusie die binnen de heersende normen kan worden getrokken moet zijn: additionele arbeid is werk dat zich onderscheidt van betaald werk in die zin dat het niet tot nauwelijks gewaardeerd wordt, of geen maatschappelijk nut heeft, of geen perspectief biedt op een betaalde baan, of de werkloosheid vergroot.

Additionele arbeid
Additionele arbeid vergroot de werkloosheid niet alleen met terugwerkende kracht, doordat het de gaten vult die door de bezuinigingen in met name de zorgsector zijn achtergelaten, en de bezuinigingen op die manier bestendigt. Ook in de toekomst verdringt additionele arbeid betaalde arbeid doordat bedrijven additionele arbeidsplaatsen zullen gaan creëren via het doorvoeren van een grotere arbeidsdeling. Het laaggekwalificeerde werk wordt losgeweekt uit de betaalde banen. Het betaalde personeel kan doelmatiger worden ingezet met als gevolg onherroepelijk gevolg meer ontslagen.
Additionele arbeid is meer dan het domkoppig doorvoeren van arbeidsmoraal. Er is een geheime agenda. Van het extra geld dat de politiekorpsen hebben gekregen voor meer blauw op straat hebben de heren luxere computers en auto's gekocht zodat de overheid nu via Melkert zelf maar werklozen recruteert. Na het afschaffen van de militaire dienstplicht is er opnieuw behoefte aan een leger dat naar willekeur kan worden ingezet. Nu van mannen èn van vrouwen.
Zowel voor de werkenden als voor de werklozen wordt het tijd de werkloosheid niet langer als maatschappelijk probleem te zien, en in plaats daarvan als een groot economisch goed, als een luxe. Een niet geringe omdraaiing in de betekenisgeving die echter reeds in overeenstemming is met de feitelijke situatie. Er is immers zat rijkdom en welvaart (die beter verdeeld moet worden). Extra werkgelegenheid kan slechts leiden tot grotere problemen op het gebied van het milieu. Het kan niet anders of over een aantal jaren zal het in de media niet meer gaan over het herverdelen van arbeid, maar over het (vrijwillig) herverdelen van werkloosheid. Het negatieve begrip werkloosheid en het positieve begrip vrije tijd zullen in elkaar op gaan. Werklozen hebben geen 'schuld' en hebben daarom recht op 100 % van het minimumloon.

Michèl Post, Utrecht.
Uitkeringgerechtigd sinds 1981.
E-mail: michel.post@hccnet.nl


Bep in Aktie



Bep staat voor Bijstand En Politiek en wil mee doen betreffende de maatschappelijke discussie rondom de positie van vrouwen en met name die van bijstandvrouwen.
Wij gaan ervan uit dat bijstandsvrouwen een al dan niet bewuste keus hebben gemaakt voor deze positie. Zij willen en kunnen niet meer functioneren/deel uitmaken van een samenleving waar mannen nog steeds de dienst uitmaken en wij willen niet meewerken binnen de patriarchale gezinsstructuur en in het arbeidsproces.
Wij willen geen sloof en slaaf meer zijn. Helaas is dat mede door de sollicitatieplicht een onmogelijke stellingname, en wordt er van alle kanten veel druk op bijstandsvrouwen uitgeoefend.
Welke rol heeft Bep voor ons leven? Bep als instituut heeft zo haar voordelen. Je bent een duidelijk aanspreekpunt en zo komen verschillende partijen en medestanders vanzelf bij Bep terecht. Wij zijn als het ware een centraal orgaan geworden. Beppen kunnen er hun verhaal kwijt en samenwerken met mensen die in een zelfde positie verkeren of dezelfde idealen nastreven. Maar evengoed kun je onder de hoed (lees muts) van Bep meedraaien in bijvoorbeeld een cliëntenadviescommissie waar belangengroepen en de sociale dienst in vertegenwoordigd is. (Dat is trouwens wel weer zo'n democratische schijnvertoning, maar goed dat is weer een ander verhaal). Wij hebben onze contacten in de Haagse gemeenteraad en hebben de belofte binnen dat wij ook de discussie met vrouwen binnen de tweede kamer aan kunnen gaan. Wij proberen ook door middel van publikaties onze manier van leven en denken naar buiten te brengen. Namens Bep hebben wij bijvoorbeeld de Opzij het volgende artikel geschreven.

'Beste hoger opgeleide vrouw'

hé rijke vrouw
waarom kom jij niet voor onze rechten op
waarom kan jij zoveel verdienen
terwijl er wereldwijd mensen en kinderen geen bestaansrecht hebben
omdat jij zo slim bent,
jij rijke vrouw geeft je geld uit aan dingen waar je er al vijf van hebt
ik de arme heb in Nederland van alles één, en dat is genoeg
jij rijke vrouw zou toch moeten weten dat hetgeen er aan voedsel en goederen is, niet eerlijk verdeeld wordt

maar nee hoor, jij rijke vrouw
vindt, dat ik de laaggeschoolde en dus ook de laagstbetaalde
voor jouw kinderen moet zorgen
je weet wel goede kinderopvang
en er is ook nog wel iemand beschikbaar die je huis schoon mag maken
het is toch fijn een arme sloeber de kans te geven een extratje te laten verdienen
en dan moet er ook nog voor jullie ouders gezorgd worden,
want ook daar hebben jullie geen tijd meer voor.

Hé rijke vrouw
heb jij niet door dat ik gedwongen wordt om te werken
ik moet jouw kinderen opvangen
je huis schoonmaken
en je ouders verzorgen

zie jij niet dat ik een vrije vrouw ben
ik zorg voor m'n eigen kinderen
maak m'n eigen huis schoon
en doe ook nog aan burenhulp

hé rijke vriendin
ik wil best voor je kinderen zorgen
je huis schoonmaken
voor je ouders zorgen
en je buren helpen

maar zorg jij er dan voor dat iedereen te eten krijgt
er wereldwijd een betere verdeling komt,
zodat je ook mij weer recht in m'n ogen durft te kijken


Met Bep kun je als het ware alle kanten op, voor de strijd die je naar buiten toe aan het voeren bent, maar ook in ons dagelijks leven kunnen wij ons dankzij Bep staande houden. Wij proberen iets te creëren waar je op terug kan vallen. Binnen de radicaal linkse scene proberen we als individu en als collectief ook een steentje bij te dragen.

Ellie van Zanten
Yolanda Winkelhuyzen


Tegen het Europa van de markten

Het onderstaande is een gedeelte van een artikel dat Takis Fotopoulos schreef voor de Raaf ter gelegenheid van de Europese Top in juni dit jaar in Amsterdam. De integrale tekst wordt gepubliceerd in de Raaf. In dit gedeelte schetst hij de achtergronden van de Europese integratie en de gevolgen hiervan voor de arbeidsmarkt (Peter Zegers).

In juni zal het proces van de Europese integratie op een hoger plan gebracht
worden, hetgeen aan het begin van de volgende eeuw zou kunnen leiden tot de
aaneensluiting van verschillende Europese staten in een Economische en
Monetaire Unie (EMU). Deze Unie vertegenwoordigt op geen enkele manier de
oude socialistische droom van een `Europa van de volkeren'. De Unie
vertegenwoordigt niet eens een fusie van staten in een nieuwe superstaat,
alhoewel de mogelijkheid van een toekomstige federale staat niet uitgesloten
mag worden. Wat de Unie wel vertegenwoordigt, is de schepping van een
Europese markteconomie als een integraal onderdeel van de huidige dominante,
geinstitutionaliseerde markteconomie. Hoe begon dit proces, welke factoren
maakten de integratie noodzakelijk en wat is de betekenis van de EMU voor de
Europese bevolking, en niet alleen voor de economische elites die tot
integratie besloten? Dit zijn enkele vragen waarop in dit artikel getracht
wordt een antwoord te formuleren.

De doodlopende weg van de huidige Europese integratie
De Europese integratie is een bijproduct van de internationalisering van de
markteconomie. Het vrije verkeer van goederen en kapitaal maakte aanvankelijk
de integratie tot iin markt noodzakelijk. Nu is de monetaire eenwording
noodzakelijk voor West-Europa om de concurrentie met de blokken in
Noord-Amerika en het Verre Oosten te kunnen overleven.

Het integratieproces, dat in de jaren vijftig met het Verdrag van Rome begon,
is op het moment in een versnelling gekomen met de Single Market Act, die in
1993 werd ingevoerd, en het Verdrag van Maastricht (dat het Verdrag van Rome
verving), dat dit jaar vernieuwd zal worden en naar verwachting aan het einde
van deze eeuw operationeel zal zijn. Het versnellen van dit proces was
noodzakelijk geworden door de toenemende concurrentie met de andere twee
delen van de Driehoek (Noord-Amerika en het Verre Oosten). De voorstanders
hiervan zijn van mening dat alleen een markt van continentale omvang de
veiligheid en de economische schaal kan bieden voor het overleven van het
Europese kapitaal in de ultra-competitieve markt van de 21e eeuw. Inderdaad
is de economische kloof tussen de Europese landen en de andere blokken de
laatste tien jaar aanzienlijk toegenomen; een karakteristieke aanwijzing voor
deze toenemende kloof is het feit dat de werelduitvoer van de Europese Unie
in de periode 1980-1994 met 7 procent afnam, die van de Verenigde Staten met
2 procent, terwijl die van Japan met maar liefst 31 procent toenam. De
belangrijkste oorzaak voor het falen van Europa is het feit dat zijn
concurrentievermogen sinds lange tijd achter dat van de anderen lag - een
feit dat niet los staat van de veel hogere mate van staatsinmenging die het
`continentale' model kenmerkt.

De ineenstorting van de sociaaldemocratische consensus, volgend op de bloei
van de neoliberale trend in de afgelopen tien jaar, betekent dat de stroming
die uiteindelijk dominant werd in de Europese Unie de stroming was die
economische integratie gelijkstelde met de radicale inkrimping van nationale
controle op economische activiteiten, zonder een gelijktijdige opbouw van een
supra-nationale controle - uitgezonderd de monetaire controle. Als gevolg
hiervan is de uitvoerende macht van de Europese Unie beperkt tot het scheppen
van een homogeen institutioneel kader dat ongebreideld ondernemerschap
toestaat en tegelijkertijd een aantal minimale garanties voor
milieubescherming en sociale voorzieningen bevat (die volledig verenigbaar
zijn met de neoliberale consensus). De Single Market Act en ook het Verdrag
van Maastricht hebben tot doel het concurrentievermogen te verbeteren door
alle `institutionele' barrieres die door de sociaaldemocratische consensus
waren ingevoerd, af te breken. Deze institutionele barrieres waren het
keynesiaanse model van staatsinmenging om volledige werkgelegenheid te
garanderen, de uitgebreide verzorgingsstaat die fiscale problemen
veroorzaakte, de `beperkende handelingen' van de vakbonden en de openbare
nutsbedrijven die niet altijd volgens het micro-economische criterium van
efficiency werken. Het belangrijkste doel van het Verdrag van Maastricht was
de symptomen van deze institutionele barrieres aan te vallen en met name de
inflatie en de staatsschulden, die waren veroorzaakt door de uitbreiding van
het staatsingrijpen. De Europese Monetaire Unie en de Single Market Act
betekenen dus niet de iinwording van de Europese volkeren of zelfs maar van
de staten, maar alleen die van de vrije markten. Vrije markten betekenen niet
alleen het vrije verkeer van goederen, kapitaal en arbeid, maar ook
`flexibilisering', dat wil zeggen afschaffing van de beperkingen op vrije
overeenkomsten voor lonen en prijzen en ook het beperken van de
staatscontrole op economische activiteiten. Dit is de essentie van de
neoliberale consensus die het institutionele kader van de Europese Unie
kenmerkt, namelijk de verdere vermarkting van de economie. Het doel van de
nieuwe instituties is duidelijk: de maximalisering van de vrijheid van het
georganiseerde kapitaal, waarvan de accumulatie op alle mogelijke manieren
wordt vergemakkelijkt en de minimalisering van de vrijheid van de
georganiseerde werknemers, met alle mogelijke middelen en vooral door de
dreiging van werkloosheid.

Het is tekenend dat de nationale economische controle op economische
activiteiten en werkgelegenheid (die door de afschaffing van de fiscale
vrijheid van de lidstaten door de `convergentie' criteria geleidelijk zal
verdwijnen), niet vervangen is door een gemeenschappelijke Europese controle
om volledige werkgelegenheid te garanderen. Terwijl er dus in de strijd tegen
de inflatie, dat de concurrentiepositie en de winstmarges van het Europese
kapitaal direct aantast, een voorziening op supra-nationaal niveau wordt
gecreeerd, wordt de strijd tegen werkloosheid overgelaten aan het vrije spel
van de markt. De ineenstortende nationale verzorgingsstaat wordt niet
vervangen door een gemeenschappelijk sociaal beleid dat in de elementaire
behoeften voorziet (gezondheidszorg, onderwijs, sociale zekerheid etc.) en
een basisinkomen voor iedereen dat de `Euro-armoede' drastisch zou
terugbrengen (het gaat om zo'n 50 miljoen mensen). In het belang van de
verbetering van het concurrentiepositie is het Europese ideaal ontaard tot
een `veramerikaniseerd' Europa, waar luxe en extreme armoede naast elkaar
bestaan en het comfortabele leven van de `40%-maatschappij' het spiegelbeeld
is van de marginalisatie van de rest.

De EMU-voorzieningen (gemeenschappelijke centrale bank, gemeenschappelijke
munt, convergentie-criteria) zullen de lidstaten van effectieve economisch
beleidsmaatregelen in de vorm van beleid op monetair, fiscaal en
wisselkoersenvlak beroven. De beloning hiervoor wordt geacht te zijn een
gemeenschappelijke sterke munt, lage prijzen, structureel lagere
rentetarieven en meer economische groei als gevolg van meer investeringen en
handel doordat de instabiliteit en de wisselchaos afneemt. Zonder nationaal
agressief belastingbeleid (door de beperking op tekorten en de staatsschuld)
en nationaal monetair beleid (omdat dit bepaald wordt door de centrale bank),
moeten de deelnemers om toch concurrerend te blijven de productiekosten zo
laag mogelijk houden en zoveel mogelijk inkomsten scheppen uit winst,
dividend etc. Het eerste kan bereikt worden ofwel door hoge productiviteit
en/of lage lonen (met inbegrip van indirecte kosten in de vorm van sociale
premies). Het tweede kan bereikt worden door belastingverlichting en dus lage
staatsuitgaven. Elk plan om het kapitaal te belasten (in plaats van
bezuinigingen op sociale zekerheid) is uitgesloten omdat de multi-nationale
ondernemingen naar andere economische blokken of belastingparadijzen zullen
uitwijken. Bovendien is een belasting op hogere inkomens uitgesloten omdat
daar bezwaar tegen gemaakt zal worden door de `tevreden' minderheid uit de
middenklasse, die een electorale meerderheid is (op dit punt zal in het
volgende nummer van de Raaf nader worden ingegaan, red.).

Dit betekent dat bij gebrek aan andere economische controlemogelijkheden op
de markt de last van de economische herstructurering afgewenteld zal worden
op de arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt is het voornaamste doelwit van de
liberalisering. Veel belangrijke controlemaatregelen worden afgeschaft
(bijvoorbeeld het minimumloon, de baanzekerheid in de privi-sector) en andere
worden drastisch herzien (bijvoorbeeld beperkingen op part-time werk en
ontslagrecht) met als duidelijk doel de arbeid `flexibeler' te maken, dat wil
zeggen beter geschikt voor de voorwaarden van de markt (`hire-and-fire
cultuur'). De afschaffing van deze controles, gecombineerd met het loslaten
van de eis van volledige werkgelegenheid alsook de wetgeving tegen de
vakbonden, betekent dat de gevolgen van technologische vernieuwingen, die tot
massale werkloosheid hebben geleid, niet door staatsingrijpen worden
geneutraliseerd: in plaats daarvan wordt het aan de markt overgelaten om het
probleem van de werkloosheid op te lossen. Het neoliberale beleid heeft
bovendien door het beperken van de publieke sector direkt bijgedragen aan de
massale toename van de werkloosheid, die inmiddels de 20 miljoengrens heeft
bereikt in de Europese Unie.

Het lijkt er op dat de huidige toestand van massale werkloosheid van
voorbijgaande aard is, waarin de bijna volledige werkgelegenheid van de
sociaaldemocratische consensus afgelost zal worden door een nieuwe toestand
van massale laagbetaalde arbeid. Deze ontwikkeling zou de uitkomst zijn van
zowel de liberalisering van de arbeidsmarkt als van de vastbesloten wil van
de economische elite om de openlijke werkloosheid te verminderen (deze heeft
een hoge politieke prijs en discrediteert de markt/groei-economie). Na de val
van het `Rijnlandse model' van het `sociale marktkapitalisme' kan gemakkelijk
voorspeld worden dat door de geweldige concurrentie tussen de delen van de
Driehoek er niet zozeer een toestand komt van massale openlijke werkloosheid,
maar van laag betaalde arbeid, part-time werkgelegenheid en uitzendwerk in
het kader van `flexibele' arbeidsmarkten. De pioniers hiervan zijn aan de ene
kant de Verenigde Staten en Groot-Brittannie en aan de andere kant Nederland,
waarbij het `Nederlandse model' het `Angelsaksische model met een menselijk
gezicht' is. Groot-Brittannie en Nederland hebben de laagste
werkloosheidscijfers in de Europese Unie, ze zijn vergelijkbaar met die van
de Verenigde Staten. Nog belangrijker is dat de Verenigde Staten en Nederland
tot de vijf meest competitieve landen in de internationale ranglijst behoren,
Groot-Brittannie is van de 19e naar de 12e plaats gesprongen. Tegelijkertijd
tonen alle recente rapporten aan dat er een sterke toenemende onzekerheid en
ongelijkheid is tussen de `gelukkigen' met volledige banen en de rest van de
bevolking.

De ongelijke gevolgen van de Europese Monetaire Unie moeten ook benadrukt
worden. Een gemeenschappelijke monetair en wisselkoersbeleid kan alleen
werken als er een grote mate van gelijkheid van economische voorwaarden is,
gemeten aan maatstaven van productiviteit, investeringen, infrastructuur,
natuurlijke hulpbronnen etc. Hoe groter de ongelijkheid des te groter zijn de
problemen, omdat er spanningen tussen de sterkere en de zwakkere schakels in
het systeem zullen ontstaan. De zwakkere schakels zullen geen middelen meer
hebben om terug te vechten (zoals protectionisme, rentekoersen, devaluatie
etc.) en zullen dus moeten vertrouwen op hogere werkloosheid en grotere
`flexibiliteit' van de arbeidsmarkt om de productiekosten te verlagen. Ook
zal een grote overheveling van de sterke naar de zwakke schakels uitgesloten
zijn door het lage budget van de Europese Unie (op het moment bedraagt dit
1/10 van het federale budget van de Verenigde Staten). Er zal dus niet alleen
geen centraal mechanisme voor de distributie van hulpbronnen zijn, maar de
leden zullen ook minder budgetaire autonomie hebben omdat zij aan de strikte
convergentie-criteria moeten voldoen. Met het geleidelijk afschaffen van de
controlemogelijkheden op de markten zullen landen met een hoge inflatie of
met een laag productieniveau deflationaire maatregelen moeten nemen die de
prijzen en lonen zullen neerdrukken zodat het concurrentievermogen verbeterd
wordt en de winsten van de economische elites intact blijven.

Takis Fotopoulos

De auteur is internationaal hoofdredacteur van het tijdschrift Democracy &
Nature. The journal for political ecology. Delen van dit artikel zijn
gebaseerd op zijn laatste boek `Towards a inclusive democracy. The crisis of
the growth economy and the need for a new liberatory project' (Cassell,
Londen 1997). Op zondagmiddag 5 oktober a.s zal Takis Fotopoulos een lezing
voor De Vrije Socialist verzorgen in politiek/cultureel centrum De Badcuyp,
1e Sweelinckstraat 10 te Amsterdam.


Werkgroep Vrije Arbeid



De Werkgroep Vrije Arbeid stelt zich ten doel vastgeroeste ideeën over arbeid en werk ter discussie te stellen via het tijdschrift KWERK, discussiebijeenkomsten en media-gerichte bezigheden.
Traditionele uitgangspunten betreffende arbeid, zoals prestatie, concurrentie, winst, produktie en consumptie geven in afnemende mate richting aan de huidige samenleving. De milieuproblematiek vereist een herziening van de verhouding tussen arbeid en natuur. De waarde var arbeid zal mede bepaald moeten worden op basis van de milieuvriendelijkheid ervan. Economische ontwikkelingen vereisen een nieuw antwoord op de kwestie van de strukturele baanloosheid. De invoering van een basisinkomen kan hier een bijdrage leveren.
Nieuwe levensstijlen vereisen zelf vorm te kunnen geven aan de eigen arbeid. Arbeid die zinvol is en zelfgekozen, betaald of onbetaald, vrije arbeid dus.

KWERK richt zich op mensen met of zonder baan, die kritisch staan tegenover de huidige maatschappelijke ontwikkelingen inzake arbeid. Wil je een abonement op KWERK, maak dan f 12,50 (voor 4 nummers) over op gironummer 6932333 t.n.v. W.V.A./Kwerk te Amsterdam. Het postadres van de redaktie is Postbus 18502 -1001 WB Amsterdam.