DE MOKER Schets van een planetair Alternatief

P.M.

(...) Beloof ik nou, dat ik ook voor ons bepaalde structuren wil schetsen, dan doe ik dat niet om een voorschot te kunnen nemen op de explosie van creativiteit die 'daarna' moet komen, na de 'revolutie'. Het enige waar het me in dit opstel om gaat is, het einde van het kapitaal voorstelbaar te maken, en wel als een praktische oplossing voor alledaagse problemen. 't Gaat me niet om parolen of om 'waarden', maar om praktische regels die voor zoveel mogelijk mensen verhelderend zouden kunnen werken. We hebben al te veel revoltes meegemaakt of over revoluties gehoord waarbij de dag erna alleen maar nieuwe onderdrukking gebracht heeft. Wij willen onze 'deal' zo helder mogelijk maken, opdat we onszelf niet voor de gek houden of voor de gek laten houden. Het moment voor pragmatisch-pessimistische utopietjes is dáár. Het kapitaal is, onthoud dat, een mijn die je heel voorzichtig van 't scherp moet halen - 't heeft niet alleen geld maar ook geweld geaccumuleerd...

Het nu volgende voorstel voor een planetaire alternatief stoelt op zes stappen van sociale organisatie. Getal noch indeling komen voort uit theoretische, laat staan numerologische overwegingen. De verschillende niveaus zijn op een hele pragmatische manier direct afgeleid uit de dingen zoals die voorgegeven zijn. Het is ook niets méér dan een raster, een basaal schema dat op vele manieren kan worden aangepast en ingevuld, een model dat eindeloos kan worden gevarieerd. Je zou mijn voorstel ook kunnen zien als een catalogus van vragen die beantwoord dienen te worden, willen we van een waarachtig alternatief voor het kapitaal spreken. De 'sociale orde' die ik presenteer hoeft niet van buitenaf, laat staan van bovenaf geïmplementeerd te worden: elke basismodule vult elk volgend vat gewoon verder op. Nieuwe vormen van organisatie zullen en moeten alleen dan onstaan, wanneer zich er 'van onderaf' nieuwe problemen aandienen die aangepakt moeten worden.

De basisaanname waarop mijn voorstel rust is de volgende: zo veel mogelijk maatschappelijke taken dienen territoriaal zó te worden samengevoegd, dat de betrokken mensen zichzelf kunnen regeren zonder dat er één mens wordt buitengesloten. Ergo: Lokalisme + Autonomie + Integratie. Territoria gelden daarbij niet als 'bezit', maar als toeganklijkheidszones, gedefinieerd door de prestaties van ecologisch verdraaglijke en algemeen toegankelijke middelen van transport. Het zijn gebieden van leven die min of meer een sociale, ecologische en geografische eenheid vormen. Hun namen heb ik in het engels gegeven, in de hoop dat dat het makkelijker maakt er wereldwijd over te discussiëren.

Zes Niveau’s van sociale Organisatie.
 

  1. Life Maintainance Organization LMO: organisatie van/voor het levensonderhoud; sociale basiseenheid, gemiddeld gevormd door vijfhonderd personen.
  2. Communal Area CA: 'gemeenschappelijke zone' van circa vijftienduizend mensen die tot ongeveer tachtig procent zelfvoorzienend is. Domein van het democratische zelfbestuur.
  3. Agro-Urban Region AUR: 'agrarisch-stedelijke regio' van honderdvijftigduizend tot tien miljoen mensen die tot negentig procent zelfvoorzienend is. Zelfvoorzieningseenheid (bioregio).
  4. Autonomous Territory AT: 'autonoom territorium' voor tien tot twintig miljoen mensen, tot vijfennegentig procent zelfvoorzienend. Grootste eenheid waarbinnen in het leven van alledag wordt samengewerkt.
  5. Subcontinental Network SN: subcontinentaal netwerk van een half tot één miljard mensen, voor achtennegentig procent zelfvoorzienend. Samenwerking op het gebied van wetenschap en techniek.
  6. Planetary Organization PO: zeven miljard mensen. Rechtvaardige verdeling van noodzakelijke en strategische hulpbronnen.


I. Life Maintainance Organization (LMO)
ca. 500 inwoners;.Levensonderhoud en het dagelijks leven

 

De vraag, hoe wij het sociale kader waarbinnen ons dagelijks leven zich afspeelt moeten vormgeven, is verreweg de belangrijkste vraag die gesteld, bediscussieerd en beantwoord moet worden. Dáár, in dat raamwerk verspillen we de meeste tijd; de meest kenmerkende mechanismen van uitbuiting (vrouwen, het huishouden, de verkwisting van hulpbronnen) hebben alle hun basis in dat domein. Ons verhaal over een op poten te zetten planetaire organisatie komt in zekere zin direct voor uit de grootte, de vorm en de functie van juist deze 'kerngemeenschap'.

Het laat-fordistische 'consumptiekerngezin' (2,5 personen: arm kind!) is dé plek waar de ergste vormen van uitbuiting zich voordoen, de meest extreme vormen van sociale onderdrukking en de meest schandalige vormen van verspilling en ecologische destructie. In dat lieflijke gezin wordt meer dan de helft van al het onbetaalde werk gedaan, vinden de meeste geweldsmisdrijven en de meeste verkrachtingen plaats, wordt het ergste zieleleed geleden, wordt vijfde van al het eten nog voor consumptie weggesmeten, wordt de meeste energie verbruikt, etc. etc. Deze asociale eenheid is de facto de grootste catastrofe uit de menselijke geschiedenis, alle romantiek ten spijt. Zíj is de draak die gedood moet worden.

Als basiseenheid die de familie overstijgt en die niet verzandt in bureaucratisch gedoe stel ik mij een gemeenschap voor van gemiddeld zo'n vijfhonderd mensen. Zo'n eenheid is te overzien maar niet op een drukkende manier te intiem. Ze zou kunnen voortkomen uit een buurt in een stad of uit een dorp op het land. In deze grootte kunnen gemeenschappen in alle denkbare vormen ontstaan, archaïsch of modern, landelijk of metropolitaan, etnisch homogeen of gemengd. Door diezelfde grootte komen er ook voldoende synergiën vrij, waarmee we gemakkelijk aan de meest wezenlijke ecologische en sociale voorwaarden voor een faire, ontspannen planetaire relatie kunnen voldoen. Binnen een LMO kan immers vrijwel alles wat we nodig hebben om te leven efficiënt en ecologisch draaglijk worden geproduceerd: Wonen (bijvoorbeeld door een woongemeenschap); Voeding (een LMO-restaurant dat door boerenbedrijven in de regio direct bevoorraadt wordt); Sociaal Leven (open ontmoetingsruimten, mediatheken, enz.); Sociale Bijstand (met behulp van op uurbasis verrekende wederdiensten); Dienstverlening (een wasserij, reparatie-werkplaatsen, etc.); Uitleenvoorzieningen (voor auto's, apparaten, cd's en boeken); Produktie (multifunctionele werkplaatsen). Al naar gelang de behoefte en de zin van de bewonersters kunnen LMO ook méér taken op zich nemen, bijvoorbeeld waar het culturele voorzieningen betreft.

Een LMO is groot genoeg om een intern ruilsysteem mogelijk te maken dat het ook zonder geld afkan (LETS). Of dat nou gebeurt met vrije vormen van burenhulp, of dat een en ander met een girosysteem juist heel precies verrekend wordt, mag afhangen van de culturele tradities en de ontstaansgeschiedenis van de desbetreffende LMO. Voorts kunnen LMO bouwen op bestaande vormen van gemeenschapsleven, op de communale structuren van bijvoorbeeld dorpen - voor zover die nog voorhanden zijn. In het verstedelijkte Noorden zullen LMO in het kader van een flinke herijking van het bestuur opnieuw moeten worden geschapen als 'toetredings-gemeenschappen'. Met het oog op het asociale punt van vertrek is het raadzaam om in dat verband heel 'koud' en legalistisch op te treden, d.w.z. om de voorwaarden voor toe- en uittreding tot, de rechten en de plichten en de interne structuur van de LMO duidelijk vast te leggen (bijvoorbeeld in een Charta).

Benadrukt moet worden, dat LMO niet per se communes op het land hoeven te zijn. Als verder te ontwikkelen projecten in zelfbeheer of als duchtig te verbouwen woonblokken zijn LMO juist ook heel geschikt voor metropolitane gebieden. Het zijn immers ook niet louter woonprojecten, ze sluiten ook cultuur in, semi-huisnijverheid en directe netwerken met de landbouw. Planologisch gezien staat de ombouw van de steden in buurten en wijken die compatibel zijn met onze LMO gelijk aan de afbraak van geïsoleerde woonvormen in voorsteden en op het platteland; vanuit een verkeerstechnisch (auto), ecologisch (apparatuur, verbruik van hulpbronnen) en sociaal oogpunt (isolatie, dienstverlening) zullen mensen zich deze luxe niet langer kunnen veroorloven. Met name in de VS zullen mensen hun suburb -de meest spilzuchtige en tegelijk meest racistische vorm van wonen- vaarwel moeten zeggen. Zulke verstrooide woonvormen zouden 'verdicht' kunnen worden tot stadswijken en toegevoegd kunnen worden aan naburige steden, of ook zelf tot kleine landelijke stadjes kunnen worden 'ingedikt'. Het land dat daardoor vrijkomt zou gebruikt moeten worden voor de regionale voedselvoorziening (groenten, fruit). Lommerrijk wonen in het groen maakt plaats voor een intensief stadsleven en even intensieve uitwisselingen met geassocieerde landgoederen.

LMO bieden ons de mogelijkheid om te ontkomen aan de dwang van tribalistische, etnische of religieuze gemeenschappen (de stam of de sippe). De sociale en economische zekerheden die deze archaïsche gemeenschappen bieden kunnen zij namelijk óók leveren, en wel zonder dat daarvoor de prijs betaald moet worden van familiaire dwang, patriarchale onderdrukking of religieuze zelfverdomming (christendom, islam, hindoeïsme, boeddhisme, animisme, etc.) LMO doen de familie verdwijnen in een vergroot en 'afgekoeld' huishouden en geven daardoor met name vrouwen en kinderen meer vrijheid, meer bewegingsruimte. Een nieuw planetair LMO-contract zou mede met het oog hierop moeten waarborgen dat:

Elke LMO bepaalt zelf hoe haar interne structuur eruit ziet, hoe zij leeft en hoe er gebouwd wordt. Een veelheid aan verbintenissen tussen LMO - ruilbetrekkingen, gemeenschappelijke ondernemingen- blijft ten allen tijde mogelijk. LMO zijn dé nieuwe subjecten van alle mogelijke vormen van samenwerking en 'vernetting' (bijvoorbeeld via het Internet). Grotere combinaties van LMO dragen daarbij zorg voor de handhaving van het genoemde LMO-verdrag en voor eventuele noodhulp.

In de overgangstijd, waarin oude statelijke structuren náást de zich ontwikkelende LMO bestaan, zouden er verdragen kunnen worden gesloten met afzonderlijke diensten (de sociale dienst, de dienst onderwijs, de vuilnisophaal). Omdat collectieve diensten meer en meer 'geprivatiseerd' zullen worden, kunnen belastinggelden tot op zekere hoogte worden teruggesluisd. Andere functies van het staatsapparaat -justitie, politie- kunnen rustig (en hopelijk steeds rustiger) in handen blijven van een ineengeschrompelde burgerlijke staat. Dit formele raamwerk moet geheel en al onafhankelijk zijn van elke andere structuur. Alleen dáárdoor wordt die 'koelte' mogelijk waarmee eventuele conflicten geheel en al vanuit het perspectief van buitenstaanders beslecht kunnen worden. Rechters die zichzelf in leven kunnen houden met belastinggelden en niet met bead&breakfast van een LMO zijn gevrijwaard van sociale druk en kunnen zo meer objectief hun oordelen vellen.

Binnen een LMO (maar in samenwerking met de daartoe behorende landbouwbedrijven) moet het mogelijk zijn om tachtig procent van de waar aan te bieden die nodig is om te overleven. Autarkie is echter geen doel of optie: in de meeste gevallen zou zo'n streven een onnodige beperking van het genot betekenen, soms zelfs een ecologisch kostbare grap. Als we toch mogelijkheden hebben voor een faire planetaire uitruil, dan is autarkie gewoon een luxe!

Naast LMO-interne handel moet er ook ruimte blijven voor een geldeconomie. Vanzelfsprekend blijft deze beperkt tot zeer zeldzame goederen en diensten. Uitgesloten is sowieso, dat dit leidt tot een kapitalistische re-accumulatie. Als gemarginaliseerd verschijnsel kan het geld immers nimmer doordringen tot wezenlijke economische sectoren (energie, voedselvoorziening) en dus ook nooit een grote dynamiek ontplooien. Geld wordt zo weer wat het ooit was, namelijk een ruilmiddel.

Willen we ooit vreedzaam met z'n allen samenleven, dan moeten we een soort planetaire fairness afdwingen. Intern moeten alle LMO bouwen op democratische zelfbeschikking van allen, naar buiten toe moeten zij tot op zekere hoogte vergelijkbaar zijn. Democratie maakt LMO betrouwbaar, gelijkheid maakt ze vreedzaam. Eerst en vooral betekent dat, dat LMO min of meer gelijk zijn qua grootte. Flexibele grenzen (300 tot 1500 personen voor één LMO) moeten globaal, in een soort van 'planetair ontwapeningsverdrag' worden vastgelegd.

Nemen we de huidige regio's in de wereld als uitgangspunt, dan zou er in het Noorden allereerst flink 'economisch ontwapend' moeten worden, in het Zuiden flink herbewapend. Zowel in Noord als in Zuid valt er daarnaast vooral sociaal en ecologisch flink wat te repareren. (De uitstoot van CO2 van 8,5 naar 1,7 terugbrengen betekent: de economische produktiviteit met tachtig procent omlaag brengen!! Geen probleem: Als we de distributie van energie drastisch inperken, wortie zo duur, dat praktisch alles onrendabel wordt!) En dat betekent in geen geval een ellendig leven, een voortdurend afzien. Door een slim gemeenschappelijk gebruik en een veelheid aan leencentrales kunnen we ons een levensstandaard gunnen die we kunnen illustreren met de volgende opsomming:

Geen privé-auto's maar autoverhuur om de hoek; geen individuele koelkasten, wasmachines en magnetrons maar dienstverlening en gratis restaurants in de wijk; geen elektronica maar een mediatheek op elk 'dorpsplein'; geen privé-machines of werktuigen maar een verhuurcentrale; 30 km/uur binnen, 60 km/uur buiten de bebouwde kom; afbraak van de meeste snelwegen behalve de twee hoofdassen; sloop of 'verdikking' van wijken met huizen voor enkele families ten gunste van landelijke stadjes, eco-burchten, sprookjeskastelen, pedestrain pockets, enz.; beperking van de woonruimte tot 30 m2 voor elke volwassene, daarvoor vele gemeenschappelijke ruimte; geen korte vakanties meer met het vliegtuig maar elke zeven jaar een reisjaar; algeheel hergebruik van kleren, meubels, tapijten, enz.; alleen nog seizoensgroenten, een derde van de huidige vleesconsumptie, de helft van de melkconsumptie; de gebruikelijke ecologische maatregelen als compostering, warmteisolatie, gereguleerde verwarming, verbod op chemische schoonmaakmiddelen, enz.

II. Communal Area (CA) - 15.000 inwoners
Domein van het basisdemocratische zelfbestuur

 

LMO zijn quasi voorbestemd om zich in netwerken aaneen te rijgen en zo hun kunde en hun produkten onder elkaar uit te wisselen. Toch zullen ze behoefte hebben aan diensten en produktie-middelen die alleen op een volgend niveau van sociale organisatie zouden kunnen worden ondergebracht: water- en energievoorzieningen, een wagenpark, bouwmachines, meer gespecialiseerde werkplaatsen (metaal, elektronica, een opticien, een tandarts, etc.), laboratoria, opleidings-centra, bioscopen, etc. Een maat die daarvoor ook nu al bestaat is het stadsdeel in een metropool, en in landelijke regio's een groot dorp, een dal of een landschap. Zo'n 'commune' (in de oude zin van het woord) zou gevormd kunnen worden door een twintigtal LMO.

Idealiter kent een CA een centrum met een groot café (theehuis, biertuin), een postkantoor, een markt (voor niet-alledaagse produkten) een bibliotheek, een complex met ambachtelijke diensten, een of enkele grote zalen en riante leermogelijkheden. Ook kan het zo zijn dat een CA kleinere vormen van industrie herbergt, en dan vooral die, die steunen op lokaal voorhanden zijnde hulpmiddelen of halffabrikaten (zie ook: SN): een kaasmakerij, een kokosmelkcondenseringsfabriek, een houtzagerij, een keramiekfabriek, een wijnkelder, enz. Dergelijke bedrijven kunnen gemeenschappelijk bezit zijn van verschillende deelnemende LMO, maar ook onafhankelijke coöperatieven die opereren in het domein van de AUR of de AT (zie aldaar).

De CA is zoals gezegd het domein van het basisdemocratische zelfbestuur. Bewoners en bewoonsters hebben er niet alleen via hun LMO maar ook direct, als burger deel aan. Met haar organen en haar ondernemingen biedt de CA belangrijke vrijheden en tegenwichten, waardoor het individu niet uitsluitend van zijn of haar LMO afhankelijk is. De CA-raad mag maar voor de helft bestaan uit gedelegeerden van de verschillende LMO; de andere helft wordt gekozen vanaf een algemene lijst. Alleen zo kunnen allerlei afweermechanismen en groepsegoïsmen effectief uitgebalanceerd blijven. In dit opzicht kan de CA gelden als het eerste niveau van een 'civiele samenleving'.

Een CA zou, al naar gelang het klimaat, tot voor 90 procent zelfvoorzienend moeten kunnen zijn. Het enige dat zij van 'buiten' nog nodig zouden hebben zijn hoogwaardige diensten, hulp bij crises en vooral: zeldzame produkten. Voor LMO biedt de CA de mogelijkheid, een niet-monetaire 'meent' te vormen op een hoger technisch- en organisatorisch niveau. De geldeconomie, die van nature sneller is en meer flexibel, zal evenwel een kleine rol blijven spelen. Ondernemersters houden enige speelruimte, waardoor er geen al te 'zuiver' en daardoor ook kwetsbaar economisch systeem zal bestaan.
 
 
 

III. AUR Agro-urbane regio's
150.000 - 5 miljoen inwoners; Domein van de zelfvoorziening

AUR komen voort uit de nu al bereikte urbanisatiegaad op planetaire schaal, juist ook in de Derde Wereld. Overal zijn mensen uit hun dorpen verdreven of hebben er zelf de voorkeur aan gegeven in de metropolen te leven. De grotere daarvan (met meer dan een miljoen inwonersters) hebben inderdaad culturele en sociale mogelijkheden die het dorp nooit heeft kunnen bieden. Ook ondanks hun bloedige geschiedenissen is er geen reden om je een rechtvaardig en milieugerecht bestaan op deze planeet niet in deze metropolen (moedersteden) voor te stellen. Natuurlijk moeten alle parasitaire monstergebouwen van binnen worden aangepast en 'buiten' anders worden ingepast in hun omgeving. Uit global cities waarin iedereen slag levert met iedereen moeten zo organisch gerangschikte en solidaire metropolen kunnen ontstaan.

Daar waar je geen metropolen hebt is het ook mogelijk om een tal landelijke CA (tien tot twintig) in grotere regio's samen te vatten en er de noodzakelijke diensten in te richten: ziekenhuizen, wegen, grotere industrieën, culturele centra, enz. Het meest dringende probleem dat we op onze planeet dienen op te lossen, is de duurzame en democratische herstructurering van metropolitane zones, of dat nou oude wereldsteden zijn, nieuwe suburbane regio's, amerikaanse 'strepensteden' of reusachtige kluwens van woonoorden in het planetaire Zuiden. Een eerste stap is, zulke vormeloze bouwsels te herschikken tot zelfbeheerde CA of stadsdelen, die samen met de LMO van zichzelf uit contact opnemen met naburige landbouwgebieden. Dat zoiets nog mogelijk is toont bijvoorbeeld de miljoenenstad Shanghai, die dagelijks van omliggende akkers van verse groente wordt voorzien.

In veel steden kan zelfs tot vijftien procent van de waar binnen de 'muren' geproduceerd worden. Al naar gelang de situatie kunnen dertig, zestig, tot zelfs honderd CA een metropool vormen, i.e. metropolitane diensten en een metropolitaan centrum inrichten als een gemeenschappelijke onderneming. Kapitalistisch gezegd zouden CA aandeelhouders zijn van een STAD BV, zo'n multi die leuke ontmoetingscentra in het midden van de stad neerzet, die een academie financiert, het openbaar vervoer beheert en een ziekenhuis voor topmedici inricht.

Als de verdeling van maatschappelijke rijkdommen door middel van een kapitalistische systeem van banken en beurzen ineengeschrompeld is tot een kleine rest, moeten producenten en consumenten natuurlijk wél zorgen voor ander centra. Er moeten nieuwe 'beurzen' komen, plekken waar projecten en ondernemingen van verschillende grootte op basis van persoonlijk contact gepland kunnen worden. Daartoe dienen er in het raamwerk van de AUR ruimhartige coöperatie-fora (panurgien) te worden ingericht, het liefst in het centrum van de metropolen. Zulke fora worden waarschijnlijk ook het kloppend hart van deze steden, een beetje zoals vroeger markten en beurzen dat waren.

Om een miljoen monden te kunnen voeden is er onder middeleuropese omstandigheden ongeveer 2000 km2 akkerland nodig, i.e. een cirkel van ongeveer 25 km (25 x 25 x pi = 1981 km2). Met wat collectief gerunde vrachtwagentjes heb je het hele spul in een half uur de stad in. Als we langer houdbare produkten als granen, aardappelen, kaas en vlees van wat verder weg laten komen, wordt de transportweg voor verse waar zelfs nog korter - de meest nabije akkers kunnen immers daarvoor worden aangewend. Juist daar waar het gaat om langer houdbare goederen en specialiteiten is een ruilsysteem op subcontinentaal of planetair niveau mogelijk én wenselijk. Hoewel LMO in principe zorgen voor hun eigen voedsel, moet de voorziening ervan in metropolitane zones toch ook in een groter raamwerk worden georganiseerd en gecoördineerd opdat er geen energie wordt verspild aan parallelle transportlijnen. De AUR is het organisatorische plan waarop LMO zich met boerinnen en boeren uit de omgeving (als ze er dan nog zijn) zó kunnen arrangeren, dat er efficiënt en duurzaam kan worden omgesprongen met levensmiddelen. In dit zelfde kader kan rekenschap worden gegeven aan de bescherming van de natuur (watertjes, wouden, etc.)

Voor vele metropolitane zones is de AUR het nieuwe planningsinstrument dat oudbakken politieke instituties vervangt. In veel opzichten komen ze overeen met de ook door anderen voorgestelde bioregio's. Een belangrijke rol is weggelegd voor de metropolen, in zoverre ze planetaire ontmoetingen tussen mensen en een planetaire uitwisseling van ideeën, kennis en produkten mogelijk maken. Onderling vormen metropolen een soort van netwerk, verbonden met sporen, vaarroute's, met wandelpaden (metronet in het internet!). Alleen metropolen kunnen een geconcentreerde uitruil mogelijk maken. Als LMO en CA zouden zij met het oog hierop kunnen denken aan het inrichten van gratis hotels voor planetaire bezoekersters.
 
 
 

IV. Autonomous Territory (AT)
tien tot twintig miljoen inwoners; Leven aan gene zijde van de nationale staat.

Lopen we de keten van de produktie van leven nog een schakeltje verder na, dan komen we ook op een punt, waarop vrijwel álle produkten voor een zeker aantal inwonersters voorhanden zijn en álle duurzame diensten kunnen worden aangeboden. Ook dergelijke territoriale bouwsels (zonder geografische 'vastheid' i.e. zonder 'nationale grenzen') zijn het meest eenvoudig verkeers-technisch te definiëren: het zijn zulke gebieden waarbinnen je met de trein in één dag nog thuis kunt komen (want vliegen zit 'r ecologisch niet meer in, dat spreekt). In de meeste gevallen omvat zo'n gebied ook één metropolitaan centrum. In een europese context zijn zulke territoria ongeveer 50.000 km2 groot en tellen tussen de 10 en de 20 miljoen inwonersters. Op geografische en historische gronden zijn ze op veel plekken lang geleden al ontstaan: zwitserland, schotland, ierland, adalusie, saksen, maar ook georgie, guatemala, nepal, sommige amerikaanse staten... Op het moment is er sprake van een reële bestuurlijke trend naar territoria van deze grootte, omdat de winsten die grotere staten uit samenwerking konden hebben door nieuwe technologieën - de computer- al praktisch genihileerd zijn. Stortte de sovjetunie nog heel spectaculair in, de verenigde staten lossen zo als het ware heel stil en langzaam op, doordat steeds meer taken (vooral inzake de sociale zekerheid) worden overgedragen aan de afzonderlijke staten. Zelfvoorziening en monetaire afkoppeling is eigenlijk het enige dat nog ontbreekt. Schreeuwerige onafhankelijkheidsverklaringen en het gezwaai met nieuwe vlaggen zou deze ontwikkeling evenwel eerder storen dan dat het haar dienstbaar zou zijn.

In het domein van zo'n territoir zou een verkeersnet kunnen worden aangelegd, zouden de benodigde basisindustrieën zinvol draaiende gehouden, hoogwaardige technologie bedreven en de herverdeling van goederen op een nuttige manier gepland kunnen worden. AT zijn groot genoeg om een afgeslankt centraal bestuur zinvol mogelijk te maken, alsmede de actieve deelname van burgers aan basisdemocratische besluitvorming voor een overzichtelijk gebied. In politieke zin zijn AT federaties van tien tot twintig AUR, die met de ondernemingen uit hun CA en LMO natuurlijk ook kunnen overlappen met naburige AUR en AT. Nationale of etnische grenzen zoals wij die nu nog kennen, spelen bij de definitie van de AT geen dwingende rol. AT zouden integendeel juist bewust zo gevormd kunnen worden, dat etnische of 'talige' grenzen uitgegomd worden. Als politieke eenheden zijn de AT de nieuwe global players. 't Zullen er misschien achthonderd zijn, en op de een of de andere manier zullen ze het erover eens moeten worden, hoe ze rechtvaardig, vreedzaam en duurzaam om willen gaan met het ruimteschip 'aarde'.
 

V. Subcontinental Network (SN)
een half tot één miljard mensen; Technologische samenwerking

Wanneer we naar onze planeet kijken, dan zien we meteen dat ze geografisch (i.e. verkeerstechnische en economisch) in bepaalde stukken uiteenvalt: zuid amerika, noord amerika, oceanië, noord afrika/midden oosten, zuidelijk afrika (de sahara als 'oceaan!'), west azië (europa), noord azië, china en japan, zuidoost azië, india. Een enger samenwerkingsverband tussen alle deelnemende AT (tachtig of zo) in het kader van deze subcontinentale netwerken dringt zich op en wel in de domeinen verkeer (het spoor, de (water)wegen), basisprodukten (grondstoffen, energie, chemie, bouwmateriaal), research en high tech. Zo mogelijk zou een subcontinentale kernindustrie alleen nog maar gestandaardiseerde elementen moeten leveren, waarmee dan de benodigde eindaggregaten op een lokaal niveau allereenvoudigst in elkaar gezet kunnen worden. Een soort van industrieel lego-systeem zou ideaal zijn, met een heel laag niveau van 'afheid', zogezegd. Mét de herovering van traditioneel zaaigoed garandeert zo'n bouwpakettensysteen technologische autonomie tot in verste LMO aan toe; daarmee zetten we dan ook een punt achter onze afhankelijkheid van grote technologische concerns. Zonder tactische autarkie blijft politieke onafhankelijkheid op de lange termijn niet meer dan een wensdroom!

SN vormen nadrukkelijk geen staten of zoiets, maar zijn feitelijk niets anders dan bundels dwarsverbanden. Willen we technologie op een efficiënte manier blijven gebruiken, dan ligt het ook voor de hand dat we dat in zo'n kader doen (chemie, elektronica) Ook het gebruik van zeeën, de atmosfeer en de bodemschatten (die immers van iedereen zijn, en niet van degenen die daar toevallig bovenop zitten) kan door dergelijke verbanden geregeld worden. Wat op een continent gebeurt, heeft in de regel z'n uitwerkingen op al haar inwonersters. Daarom moeten er vertegenwoordigende lichamen in het leven geroepen worden waar problemen bediscussieerd en maatregelen besproken zouden kunnen worden. Denkbaar zijn subcontinentale raden, waarin alle AT met steeds twee gedelegeerden (een man, een vrouw) vertegenwoordigd zijn. Angst hoeven we voor zulke geografische reuzen niet te hebben; de lokale zelfvoorziening op elk niveau eronder laat maar een heel klein pakketje taken over, die nu nog worden waargenomen door de grote landen, door de EU's en de NAFTA's.

  VI. Planetary Organisation (PO)
zeven miljard mensen; rechtvaardige verdeling v. hulpbronnen

Qua doelstelling en structuur komt déze vorm van organisatie eigenlijk het meest overeen met de LMO. 't Gaat immers om het levensonderhoud, de zelfvoorziening van onze planeet (van buitenaf komt er alleen maar zonne-energie, nietwaar). De PO is óók een uitgebreide versie van de subcontinentale netwerken, Ook hier zijn de autonome territoria met steeds twee mensen vertegenwoordigd. Haar taken zijn voornamelijk globaal-ecologisch van aard, aangevuld met rampenbestrijding, rechtvaardige verdeling van hulpbronnen (waarbij wij in het Noorden natuurlijk veel minder krijgen), het slechten van conflicten, planetair verkeer, vrije toegang tot kennis en produkten, coördinatie van basisindustriën, planetaire communicatie en standaardiseringen ((Pla-net en Lego-net) Tezamen omvat dat minder dan wat internationale organen vandaag de dag te doen hebben. De contacten tussen LMO, CA en AT verlopen immers niet via een planetaire bureaucratie maar netwerkelijk direct. Het is alleszins denkbaar dat de PO ontstaat uit een versmelting van internationale NGO's en bepaalde UN-instituties. De persoonlijke netwerken zijn er al, het Internet zou ze nog kunnen versterken.
 

Planetaire Organisatie en Vrije Associatie

Spreken we in het voorafgaande over een alternatieve planetaire organisatie, dan zou je de indruk kunnen krijgen dat het gaat om een compacte, bijna totalitaire structuur, waarmee het leven ganselijk doorgeorganiseerd zou zijn. Dat is natuurlijk niet het geval. De PO is niets meer dan een raamwerk, dat juist alle mogelijke vormen van associatie van individuen, kriskras door alle niveaus heen, mogelijk moet maken, en wel zonder dat er zulke catastrofale onevenwichtigheden ontstaan (ecologische en sociale) die ons nu aan de rand van de afgrond hebben gebracht. Brengen we het kapitalisme in een definitieve crisis, dan is een betere orde niet als vanzelf gegeven. Er bestaat niet zoiets als een 'natuurlijke orde', dus zullen we altijd iets van planning moeten hebben, bindende afspraken.

Alle hierboven beschreven sociale eenheden zijn subsidiair, i.e. ze zullen alleen dáár actief worden waar mensen ze hebben willen. De PO is niet uit op 'bestuur', maar is er alleen om voor zo veel mogelijk mensen zo veel mogelijk bewegingsvrijheid te creëren (en niet voor een handjevol rijke toeries uit het noorden). Uit de contacten die zo gelegd worden zullen allerlei nieuwe of ook oude sociale structuurtjes ontstaan: planetaire vakbonden voor wijnboeren, internationale academies, internationale gezelschappen van muzikanten, leen- en ruilnetwerken voor kunst, enzovoorts. Het is ondoenlijk om de rijkdom aan kleine en grote associaties te voorzien of te omschrijven, maar om hen draait het, zij maken dat het leven de moeite waard is om te leven.

Mensen interesseren zich voornamelijk voor mensen, voor hun onbegrensde mogelijkheden om te combineren. Omdat LMO overal het naakte bestaan garanderen, vallen existentiële bekommernissen en afhankelijkheidsrelaties weg; En ben vooral niet bang dat zulke LMO geheime clubjes van gezworenen zouden zijn - zodra ze functioneren kunnen ze 'vergeten' worden, precies zoals we vandaag de dag (nog) de lucht vergeten die we inademen.

Enige overpeinzingen over de politieke transfer

De vraag is nu: hoe kunnen we ons planetair alternatief praktisch omzetten tegen de gekte van het kapitaal in? Concrete aanknopingspunten vinden we in de interne tegenstellingen van het globale kapitaal zélf. Zo dienen onze lonen momenteel te dalen, waarbij we wel geacht worden meer geld te hebben om meer consumptie-goederen te kopen. Als werknemers zouden we goedkoper moeten worden, maar ook meer afhankelijk van onze bazen. Met onze LMO zouden we inderdaad goedkoper kunnen worden, én minder afhankelijk. Door de afbraak van de welvaartsstaat dwingt het kapitaal ons dus als het ware om ons open te stellen voor andere vormen van leven. LMO-achtige dingen duiken nu al overal op: voko's, gereedschap-uitleen, LETS, tweede-hands kledingbazaars, noem maar op.  LMO zijn dus geen kleine sektes die uit de hemel vallen, maar consequente voortzettingen en uitbreidingen van alle bestaande initiatieven om het autonome sociale leven weer in ere te herstellen.
Degenen die profiteren van het oude kapitalistische samenlevingscontract hebben er natuurlijk geen belang bij om een nieuw planetair contract te ondertekenen. Ze hebben weliswaar de macht om zoiets tegen te houden, maar ze hebben ook problemen. Ze kunnen er bijvoorbeeld niet op rekenen dat slecht betaalde wouten hun belangen zullen blijven verdedigen tegen werknemers die demonstreren tegen bezuinigingen. Of dat onderwijzers met vers gesnoeide lonen een nieuwe generatie graag gans in de geest van de Nieuwe Wereldeconomie zullen willen doen groeien. Hoe ging dat ook alweer in de DDR? Als iedereen weg wil, dan geeft ook de VoPo het op. Natuurlijk, de meesten van ons wíllen helemaal niet weg, maar ja, ze worden er wél uitgekickt. Langdurige werkloosheid leidt er als vanzelf toe dat mensen gaan omzien naar andere manieren om te overleven, onder of naast de bestaande economie. De soos zegt ze, dat ze een eigen bedrijfje uit de grond moeten stampen. Winkels en kroegen leveren echter alleen al lang niks meer op, het stichten van bedrijfjes eindigt in je reinste zelfuitbuiting.
Wat dan met LMO? Waarom zou een LMO niet een collectiefje zijn, of een BV'tje? Die zijn bijzonder democratisch, vooropgesteld dat iedereen evenveel aandelen heeft en even hard meewerkt. En: ook zonder winst zijn ze rendabel, zo lang ze maar in staat zijn in het levensonderhoud van haar leden/aandeel-houdersters te voorzien ('tgeen immers hun doel is). Arbeid laat zich zo met andere woorden definiëren door het nut van de concrete bezigheid. Ze houdt op 'werk' te zijn in de economische zin van het woord.
Verder: des te meer de nieuwe wereldorde haar zegetocht voortzet, des te minder arbeidersters er in loondienst zullen zijn. Haar definitieve zege kan dan worden gevierd wanneer het laatste loon is uitbetaald aan de laatste loonslaaf. Waarom zouden we deze ontwikkeling willen tegengaan? Als het kapitalisme zich zo graag van ons afkeert en uiteindelijk een virtueel spel wil worden: bonne chance! Toe maar, maak je ellendige winst maar, in de ruimte het liefst, maar val ons mensen er niet mee lastig!

Voorlopig zal het echter zo zijn en blijven, dat de aarde en een steeds groter leger van laagbetaalde werknemers praktisch wordt doodgedrukt. Het kapitaal is koortsachtig bezig met haar eigen ineenstorting. Met haar speculatiemechanismen, met derivaten van derivaten is ze bezig deze ondergang systematisch voor te bereiden - ze investeert er zelfs in, kondigt haar herhaaldelijk aan, verbreidt middels films en boeken openlijk een ondergangsstemming. De meest recente brutaliteiten van globaliserende ondernemers zou je zelfs kunnen zien als gerichte provocaties, opdat daarmee eindelijk genoeg woede zou ontstaan om het vermoeide systeem van ons af te schudden. Het wil niet meer - alleen wij, vertwijfelde loonafhankelijken, wij houden het nog in leven. We roepen -tevergeefs- om meer Groei en meer Arbeidsplaatsen, prijzen onze produktiviteit aan: we durven er gewoon niet meer op te vertrouwen dat we voor onszelf kunnen zorgen. Moet ze ons dan in het water gooien, zodat we zelf leren zwemmen?

Omdat het kapitaal de o zo lastige nationale staten graag buitenspel zou willen zetten, om zo direct toegang te krijgen tot de sociale produktiviteit, is ze op zoek naar nieuwe middelende instanties. Daarbij komt ze vandaag de dag enkel NGO's of QUANGO's tegen (non-gouvernemental organisations, quasi-NGO's), die -helaas, helaas- niet altijd dezelfde doelen nastreven. De Wereldbank en het IMF moeten daarom op een nogal 'tegensprakige' manier manouvreren tussen gedwongen monetarisering en 'basisdemocratische' verzoeningsprojectjes (zoals bijvoorbeeld de Grameen-bank in bangla desh). 't Is met name de Wereldbank die laatstelijk probeert om NGO's met verleidelijke aanbiedingen te binden aan haar strategieën. Tussen het bange lokale en het twijfelende globale kapitaal in bevindt zich meer dan genoeg speelruimte voor alternatieve initiatieven. Als we LMO-achtige projecten of netwerken met behulp van NGO's kunnen financieren, en zo een afkoppeling van de dwang van het wereld-marktgebeuren tot stand kunnen brengen, dan zou een ineenstorting van de Wereldbank en consorten met terugwerkende kracht alleszins mogelijk moeten zijn.

De opzet van LMO (waar dat mogelijk schijnt), het veroveren van AT (waar dat zinvol is, zoals in chiapas), het losweken van AT uit grotere bondsstaten (wat niet in joegolavië's hoeft te eindigen), de acties voor een beter leven in stadswijken (CA), groepen en bewegingen tegen kapitalistische planning (AUR), subcontinentale en planetaire ontmoetingen en netwerken (SN, PO) - al dit soort dingen is al lang bezig en wijst vooruit naar de PO 'erna'. Het kan geen kwaad, bewogen mensen het potentieel van hun bewegingen op de een of de andere manier meer bewust te maken, en hen met wereldomspannende communicatiemiddelen de mogelijkheden te geven elkaar wederzijds te 'leren kennen'. Het opzetten van een Planet in het Internet zou daaraan zeker dienstbaar kunnen zijn. Een formele PO-organisatie, een zevende of een achtste Internationale of zo, is nodig noch gewenst. Een PO kan redelijkerwijs alléén ontstaan uit een samenstel van planetair herijkte NGO's en voormalige VN-agentschappen.

In de geïndustrialiseerde landen moet het erom gaan, de defensieve strijd van de arbeidersters tegen loonmaatregelen en de afbraak van het sociale stelsel weliswaar voort te zetten, maar tegelijkertijd ook om te vormen in constructieve bewegingen voor de opheffing van het kapitaal (LMO als hervormingsmaatregel). Duidelijk is of moet zijn, dat 'onze welvaart' niet langer verdedigd kan worden, noch tegen de globaliserende plannetjes van het kapitaal zelf, noch als basis voor een planetair project voor 'daarna'. Het is toch te gek voor woorden dat wij als brave vakbondsleden en/of als overtuigde 'linksen' er nog steeds in berusten dat we tien maal zoveel goederen bezitten als onze kameraden in het Zuiden! We moeten ons anders arrangeren - en dat hoeft geen 'armoede' te betekenen, maar integendeel juist echte planetaire rijkdom. Vanzelfsprekend hoeven we geen loon in te leveren op louter 'altruïstische' gronden - de extra winsten zouden dan gewoon in de zakken van de kapitalisten verdwijnen; veeleer moeten er voor zorgen dat we elk verlies aan geld compenseren met méér echte onafhankelijkheid, met meer sociale autonomie. We willen geld hebben, om er minder van te hoeven gebruiken.

De discussie om de directe, praktische en noodzakelijkerwijs reformistische herovering van de sociale ruimte moeten nu beginnen. Het is een kwestie van diplomatie om het kapitaal met behulp van 'kapitalistische' voorstellen te temmen, opdat ze niet haar toevlucht neemt tot het middel van de burgeroorlog (demagogen als Le Pen, Haider en Blocher zullen het daarop laten aankomen, ook al zijn ze zich daar zelf niet eens van bewust). Het is van het allergrootste belang dat we de civiele samenleving herbouwen, ja, redden, en wel doordat we leren hoe te koersen op een vreedzame wisseling van systeem. Van het kapitaal is zo'n wijdse visie niet te verwachten.

P.M. Für eine planetarische Alternative. Eine Ideenskizze in: Sozialdemokratie oder ökosozialer Umbau?

WIDERSPRUCH 34 Beiträge zur sozialistischen Politik XVII, ZuReich, Dezember 1997. Ss. 15-31.

Vertaling en bewerking allie

Eerder verschenen in Buiten de Orde IV, 1998 en op de Website van Konfrontatie
 



De waarde van revoluties en utopieën in een tijdperk van economische globalisering

Raf Grinfeld

Voor deze reader vroegen de organisatoren van de Pinksterlanddagen mij om een reactie te schrijven op het artikel Schets van een planetair alternatief. De wereld na het kapitalisme. van P.M. Ik ben het vrij oneens met P.M. De Zwitser die eigenlijk Hans Widmerr heet, behoort wellicht tot een heel andere denktraditie dan ik. Hij hangt een soort van anarcho-liberalisme aan of wat men vandaag wel eens 'pragmatisch anarchisme' durft noemen. Ik ben echter een revolutionaire anarchist. Laat ons even samen het artikel, dat op het einde van vorig jaar in Buiten de Orde verscheen, onder de loep nemen.

P.M. vangt aan met een schets van de huidige wereldsituatie, waarin economische globalisering of wat men neoliberalisme noemt hoogtij viert. P.M. onderkent een beweeglijkheid van 'het kapitaal', dat gedefinieerd wordt als een mechanisme van kapitaalaccumulatie door winst. Het 'kapitaal' werd door kapitalisten in werking gesteld, maar heeft zich tegenwoordig grotendeels verzelfstandigd als een zichzelf regulerend netwerk van banken, grote concerns en internationale instituties als het IMF en de Wereldbank. 'Met haar nieuw verworven dynamiek probeert 'het internationale kapitaal' nationaal gedefinieerde sociale zekerheden definitief om zeep te helpen.' Hier doet zich bij P.M. al een eerste probleem voor. Hij ziet de geschiedenis teveel als een zichzelf verstandigend proces. Het neo-liberalisme is haast losgekoppeld van actoren die het instandhouden. Waar zijn de industriële lobbygroepen gebleven die druk zetten op nationale overheden om hun belangen te beschermen? Waar zijn de mogelijkheden tot internationale verdragen gebleven om de economie te sturen? Bij P.M. verdwijnen actoren naar de achtergrond. En ze zullen pas op het einde van de tekst terug echt zichtbaar worden, in de vorm van organisaties zoals kleine en alternatieve economische eenheden en NGO's die de potentie hebben een duale machtstrategie met het neoliberalisme, 'het kapitaal' aan te gaan.
massabijeenkomst CNT, Barcelona 1936

Politiek en staatkunde zijn termen die P.M. weinig of niet in de mond neemt. Eerder lijken politici deel uit te maken van 'het kapitaal', zonder daar veel invloed op uit te kunnen oefenen, vrij machteloze wezens die soms uitdrukking geven aan 'de angst van het kapitaal voor zichzelf' (sic!). Jean-Marie Le Pen en Jorg Haider zijn zo van die machteloze wezens die deze angst uitdrukken, onderontwikkelde kapitalisten. Wat dit wil zeggen weet ik ook niet. Inderdaad, extreem-rechtse kopstukken maken deel uit van de gegoede burgerij, maar of het daaroom onderontwikkelde kapitalisten zijn? Je zou dan net zo goed kunnen zeggen dat kapitalisten onderontwikkelde fascisten zijn. Zijn al deze mensen zo machteloos? Ik zie ze dagelijks op mijn televisiescherm, ze hebben volledige toegang tot de massamedia. Ze overladen ons met hun valse ideologiëen. Ze roemen de concentratie van het kapitaal (de produktiemiddelen) in de handen van de weinigen : de rijke burgerij of de eigen natie.
Versta me niet verkeerd, ik heb geen vertrouwen in de burgerlijke staat en geloof er dan ook niet in, zoals zoveel linkse mensen tegenwoordig, dat de staat kan ingezet worden tegen het nietsontziende kapitalisme. Staten zijn er om de bestaande orde te handhaven, door de opeising van het monopolie op geweld, door de markten uit te breiden waar de bedrijven terecht kunnen. Inderdaad, de verandering zal moeten komen vanuit niet-statelijke instituties en van onderuit. Het communisme zal ons niet kunnen helpen. Als we kijken naar wat experimenten met verminkte vormen van communisme in het Oostblok hebben opgebracht, dan zouden we dat moeten weten. Maar het oorspronkelijke communisme, zoals het door Marx ontwikkeld werd, had tenminste nog veel aandacht voor een klassenanalyse. P.M. heeft dat te weinig. Bovendien lijkt hij nog teveel schatplichtig aan het oud-linkse idee van 'de hegemonie van het proletariaat'. Hij ziet nog grote mogelijkheden weggelegd vandaag voor de internationale arbeidersklasse om het kapitalisme te tackelen. De arbeidersklasse lijkt een overwicht (hegemonie) te bezitten en het einde van het kapitalisme lijkt niet ver weg. Dat hebben we volgens P.M. o.a. te danken aan een wereldomspannend communicatienetwerk dat de communicatie heeft mogelijk gemaakt tussen de arbeidsklassen van de verschillende beschavingen. Nationale en culturele oogkleppen vallen vaker en vaker af. Tja, dan moet P.M. toch maar eens een kijkje gaan nemen in Rusland en Joegoslavië, waar nationalisme nu hoogtij viert en er van internationalisme geen sprake meer lijkt te zijn. De Nato-staten (inderdaad, belangen beschermende actoren!) maken er, op het moment van dit schrijven, in Joegoslavië een boeltje van. Ze verergeren de situatie alleen maar. Waar is de internationale arbeiders-beweging die hiertegen volop protesteert? Waar is die communicatie over het feit dat de Nato-staten daar de economische belangen van het Westen aan het verdedigen zijn? En hoe verklaart P.M. het nieuwe sukses van extreem-rechts bij veel Europese arbeiders?

P.M. is een reformist en dus geen revolutionair. Hij wil geen totale maatschappelijke omwenteling, maar een soort van radicale piecemeal engineering (om de term van een liberaal als Sir Karl Popper te gebruiken). Dat revolutionaire strategieën vandaag nog allesbehalve populair zijn heeft te maken met het feit dat linkse mensen geen onderscheid meer weten te maken tussen libertaire en autoritaire revoluties. De Parijse commune, de Russische Revolutie, de Spaanse Revolutie van de jaren dertig, het zijn historische momenten die nooit hadden kunnen plaatsvinden zonder de sterke libertaire onderstroom die erin aanwezig was. Dat deze momenten teniet gedaan werden hadden veel meer te maken met de autoritaire en totalitaire tegenreacties dan met de aard van die libertaire onderstroom en de revoluties in het algemeen.

Wanneer anarchisten terug massabewegingen op gang willen krijgen zullen ze moeten aansluiten bij de revolutionaire traditie. Ze zullen afstand moeten nemen van het postmodernisme (Lyotard, Kristeva) maar ook van populaire linkse denkers uit Nederland die het reformisme hoog in hun vaandel dragen en utopieën als fenomeen weinig interessant vinden (Marius De Geus) of zelfs erg gevaarlijk (Hans Achterhuis). Dat Julia Kristeva onlangs openlijk haar steun heeft betuigd aan de electorale campagne van Dany Cohn-Bendit, de lijsttrekker van de Franse Groenen voor de komende Europese verkiezingen, mag ons niet bekoren, net zo min als het feit dat De Geus zo hoog oploopt met de Groenen, Groen Links en de diepte-ecologist Arne Naess. Zowel het postmodernisme als de diepte-ecologie vertonen soms sterk reactionaire trekken, daarbij denk ik o.a. aan de gelijkenissen die veel postmodernistische en diepte-ecologische ideeën vertonen met die van Martin Heidegger. Heidegger was een tijd lang een notoir fascistisch denker en is altijd een burgerlijke conservatief geweest. Hij heeft met zijn theoretische invloed links opgezadeld met onnozele en soms racistische ideeën.

P.M. schotelt ons een pragmatisch-pessimistisch utopietje voor. Hij verzekert ons dat 'het kapitaal' een mijn is die je heel voorzichtig van 't scherp moet halen. Dit 'utopietje' blijkt autoritair te zijn : slechts gedeeltelijk basisdemocratisch, de staat wordt niet afgeschaft en de samenleving is nog altijd vrij hiërarchisch gestructureerd. Toch, ik zal niet ontkennen dat het hier inderdaad om een 'utopietje' gaat. Tenslotte, er zijn door de geschiedenis heen niet veel libertaire utopiëen geschetst (de utopie uit News from nowhere van William Morris vormt hier een mooie uitzondering op) en dus kan ik niet volhouden dat een utopie noodzakelijkerwijze anti-autoritair is, ook al kan een echt droombeeld voor mij enkel maar anti-autoritair zijn. What marked the great utopians was not their lack of realism but their sensuousness, their passion for the concrete, their adoration of desire and pleasure. (Murray Bookchin, 1982) Met deze 'great utopians' refereert Bookchin naar denkers als Charles Fourier en Morris. Bookchin maakte in The Ecology of Freedom komaf met het idee dat utopisten noodzakelijkerwijze onrealistisch zouden zijn. Ja, inderdaad, de mogelijkheden tot de vrijheid zijn nog steeds in potentie aanwezig.

Ik wil het anarchisme niet opzadelen met utopische blauwdrukken, die verstarring in het denken kunnen teweegbrengen. Wel pleit ik ervoor terug aan te knopen bij de revolutionaire traditie. De sociaal-ecologische ideëen van Bookchin moeten hier een centrale rol in spelen, hij blijft immers een denker van formaat. De verbeelding moet aan de macht komen en er moeten radicale alternatieven geformuleerd worden voor elk aspect van het dagelijks leven van vandaag. We hebben nood aan 'utopische dialogen', open utopieën waarin verandering met open armen wordt ontvangen wanneer ze bijdraagt aan het algemeen welzijn en waarin de samenleving vorm krijgt aan de hand van de wensen van de mensen zelf. Gemeenschappen in zelfbeheer, een ecologische samenleving die gekenmerkt wordt door sociale rechtvaardigheid en waarin iedereen werkt naar vermogen en krijgt naar behoefte. Om de sociale instituties te kennen die er in zo'n samenleving aanwezig zijn, verwijs ik graag naar het artikel 'Libertair municipalisme', een tekst die ik schreef voor Perspectief nr. 53. Ook in mijn lezing zal ik hier meer over vertellen. Daarnaast komen ook de ideëen van Marius De Geus en Hans Achterhuis over utopieën meer aan bod.
 



Een reactie

allie

Beste Raf.

Voor deze reader had je een stuk willen vertalen van William Morris, waarin hij kritiek levert op een nog oudere utopist. Wij van de reader-groep vonden dat best een leuk idee, maar ook niet meer dan dat. Als er iets over utopieën in deze leesbundel moest komen -en dat moest!- waarom dan een tekst van een dooie vent over een nog dooiere vent? Waarom niet haken naar de actuele discussie rond utopieën (Achterhuis en Atalanta) of een moderne ‘groene’ utopie onder de loep nemen? Op eigen initiatief heb ik je gevraagd, te reageren op het stuk van P.M. in Buiten de Orde. Geheel zonder eigenbelang was dat niet. Ik ben zelf de vertaler van het stuk en hoop nog steeds dat het aanleiding geeft tot anarchistische discussie. Maar als vanzelf gaat dat helaas niet...

Net als jij voel ik de behoefte aan, zoals je dat zelf noemt: ‘utopische dialogen’ en open utopieën. En hoewel ik zeker niet 100% achter het stuk van P.M. sta, had en heb ik het idee dat zijn ‘opzetje’ kan bijdragen aan de ontwikkeling daarvan. Afgaande op je feitelijke kritiek en vooral de toonzetting van je stuk vind jij dat in ‘t geheel niet zo. Jammer vind ik dat vooral, omdat je naar mijn gevoel teveel gefixeerd bent op wat er ‘slecht’ zou kunnen zijn aan het stuk, en te weinig kijkt naar wat er ook voor jouw ‘bookchinisme’ aan goeds uit te halen zou zijn.
 

Zonder daar werkelijk argumenten voor aan te dragen bestempel je schrijver P.M. als een ‘anarcho-liberaal’ c.q. een ‘reformist’. Nog afgezien van de vraag of dat er wel toe doet (zie verderop) is dat eenvoudig niet waar. P.M. komt uit de traditie van de (duitse c.q. zwitserse) autonomen. Net als in de nederlandse kraakbeweging werd en wordt in die beweging radicaal non-comformisme of zelfs anarchisme gekoppeld aan een soort instant-utopisme - kraken, collectieven, harde aktie, machimo, enz. Sterker dan dat bij ‘ons’ ooit geweest is - en dát lees je bij P.M. inderdaad terug- is de invloed die de RAF, de anti-imps en alle andere platte marxisten op deze ‘autonomen’ gehad hebben c.q. hebben. De enige reden waarom ik erover getwijfeld heb om het stuk te vertalen is níet dat de schrijver te weinig aandacht heeft voor klasseanalyse (zoals jij halfslachtig beweert) maar juist het feit dát het staat of valt mèt een klasseanalyse!
Het grootse gedeelte van je inhoudelijke kritiek treft het eerste deel van het artikel, daar waar P.M. zijn visie op globalisering uiteenzet. Dat is inderdaad niet het allerbeste stuk; bij het samenstellen van deze reader hebben we er zelfs voor gekozen het weg te laten. Wát je dan aan die inleiding kritiseert zijn naar mijn gevoel juist de enige echte winstpunten die Widmer weet te maken, namelijk a) dat het kapitalisme geen samenzwering is van kwaadwillende despoten, maar een goeddeels zelfregulerend, een op hol geslagen systeem, en b) dat ‘globalisering’ ook de belofte van wereldwijde communicatie en wereldwijd verzet inhoudt. Natuurlijk kent het neoliberalisme niet alleen concrete slachtoffers maar ook concrete daders, natuurlijk zijn er overal mannen die o zo graag de nationalistische trom slaan, maar wat zou dat? Reden te meer toch voor ons, om er niet aan mee te doen, om ons eigen plan te trekken?

Op het plan dat P.M. in reactie op zijn eigen inleiding trekt ga jij zoals gezegd niet of nauwelijks in. De schrijver vraagt ons om zijn utopie niet te zien als een blauwdruk, als een schema, maar als een soort denkplan, een raamwerk waarbinnen al onze eigen utopietjes kunnen worden ingepast. Jouw opvatting van ‘Gemeenschappen in zelfbeheer, een ecologische samenleving die gekenmerkt wordt door sociale rechtvaardigheid en waarin iedereen werkt naar vermogen en krijgt naar behoefte’ zou daar naar mijn gevoel heel gemakkelijk aan kunnen worden vastgeplakt. Waarom jij denkt dat dat niet zo is, waarom dat niet ook bespreekbaar is, is me volkomen duister. Op tenminste twee momenten wordt de lezer/ster verteld dat het om een ‘open’ utopie gaat, en toch vind jij P.M. autoritair. De man geeft een naar mijn gevoel redelijk gefundeerde schets van hoe basisdemocratie er in onze ingewikkelde, interdependente wereld uit kan zien. Naast collectieven en collectiefjes spelen ook ‘staat’ en ‘markt’ daarin (voorlopig) nog een beperkte rol. Zonder dat je ingaat op de argumenten die hij hiervoor geeft, klassificeer je dat direct als ‘hiërarchisch’. Maar heb jij / heeft Genosse Bookchin dan een beter plan?

Genosse P.M. wil in een dolle bui nog wel eens oproepen tot gewapend revolutionair verzet. In een ander artikel ( http://www.xs4all.nl/~axienetx steekwoord: utopie) legt hij evenwel helder uit, waarom dat onder de huidige omstandigheden eigenlijk geen zin meer heeft. Wie nog wat wil met deze wereld, moet ‘m maar snel vergeten en aan de slag gaan met een eigen, een beter systeem náást -en ten koste van- het bestaande. Je mag dat reformisme noemen, of postmodernisme, of wat dan ook, je kunt er niet omheen dat er ook iets van realisme in schuilt. Anarchisten kunnen eenvoudig niet alleen blijven dromen van mooiere, schonere werelden en zo hun gevoelige geweten schoonhouden, ze moeten ook de handen uit de mouwen willen steken. Als we iets willen, iets dat uitstijgt boven het niveau van onze eigen gemeenschap en/of scene, dan zulen we ons moeten bezinnen op anarchistische strategie, op vormen van anarchistische organisatie. Te doen alsof al het ‘boze’ er niet is, alsof geweld en macht, staat en economie eenvoudigweg niet bestaan, is een luxe die alleen lifestylers zich kunnen veroorloven. Alle anderen moeten opnieuw leren werken met tegelijk visionaire en pragmatische utopieen, ‘open’ maar ook min of meer realistische voorstellen over hoe we concreet vrije ruimten kunnen veroveren. Lukt het ons om daarover op een constructieve manier in gesprek te raken, dan zal blijken dat er geen waarachtige tegenstelling is tussen Bookchin en P.M., tussen ‘revolutionairen’ en ‘reformisten’, maar alleen tussen pluriform anarchisme en de eenvormige banaliteit van het kapitalisme. We spreken elkaar... allie


De Herleving van het Afschrikkingsbeginsel.

.. is een enigszins ingekorte en bewerkte tekst van de rechtstheoretica Clara Meijer-Wichmann. Het artikel werd in november 1918 gepubliceerd in het Weekblad van het Recht en is opgenomen in de bundel Misdaad, Straf en Maatschappij (Utrecht, 1920) Hoewel meer dan tachtig jaar oud lijkt de tekst ons meer dan ooit actueel. Lees je voor het woord criminaliteit namelijk steeds migranten, illegalen, zinloos geweld of wat dan ook, dan is Wichmann's aanklacht tegen het recht en het gesundenes Volksempfinden, tegen macht en tegen de media even scherp nog als in 1918.

Van alle kanten gaan er klachten op over de toenemende criminaliteit. Voor een groot deel getuigen die klachten van een dergelijk gebrek aan het meest eenvoudige menselijke gevoel, of van een dergelijk gebrek aan inzicht in de oorzaken van misdadigheid, dat het hoog tijd begint te worden, stemmen te doen horen tegen de heilloze richting waarin men het strafrecht meer en meer sturen wil. Het zijn nog niet zozeer de juristen zelf - vermoedelijk omdat die toch meer beseffen van de diepere wortels van criminaliteit en van de complicatie van het vraagstuk van de bestrijding ervan - het zijn vooral journalisten en het gros van de krantenlezers die roepen om méér gevangenissen en om méér politie, om dwangarbeid aan kogel en ketting, ja, zelfs om het neerschieten van dieven en inbrekers. ‘Reken meer op uw eigen revolvers dan op die van nieuwe veldwachters’ - Dat stáát er, tot zulke dingen wordt in de pers opgeruid! En dat niet alleen in die bladen, die de bezitters vertegenwoordigen, ook in die van de SDAP; beiden verwachten zij heil van straf.

Ook als we van de bovenstaande excessen afzien, overal schijnt de mening te heersen dat de criminaliteit wel weer zou afnemen, wanneer er maar zoveel huizen van bewaring en gevangenissen werden gebouwd, dat men geen enkele delinquent die is aangehouden zou hoeven laten lopen. Een wonderlijke gedachte. Want wat is er duidelijker dan dat de oorzaak van een toename van de criminaliteit elders ligt dan in het cellentekort, het cellentekort immers zelf ontstaan is door de toename van de criminaliteit. Plaatsgebrek in de gevangenissen is een secundair verschijnsel. Zelfs als men het opheft kan men hooguit verwachten dat de criminaliteit in iets langzamer tempo zal toenemen (en dus waarlijk niet 'snel en afdoende uit het criminele gevaar raken') Dàt de toename van de criminaliteit dan iets minder zou zijn, kan met een schijn van juistheid verdedigd worden. In een strafstelsel dat grotendeels op afschrikking berust zal het verflauwen van de afschrikking zeker invloed hebben zolang er geen andere rem voor in de plaats komt. Dit is dan ook de reden waarom sommigen, die gestreefd hebben naar een intensivering van de criminaliteitsbestrijding boven het peil van afschrikking en onschadelijkmaking, op het moment nog menen dat zij het afschrikkingsbeginse niet kunnen missen.

Ook deze meer bescheiden verwachting lijkt ons een illusie. In de eerste plaats omdat de werkelijke oorzaken van criminaliteit thans met veel te elemantaire kracht werken: honger aan de ene, gewetenloze winzucht aan de andere kant, met allerlei overgangsvormen daartussen. Maar ook - en bovenal - omdat al wat ter repressie gedaan kan worden tweesnijdend zwaard is. Zelfs van 'onschadelijkmaking' -een begrip trouwens waarbij mensen vrijwel met gevaarlijke dieren worden gelijkgesteld - is geen sprake. Het verblijf in gevangenissen en de werkloosheid daarna maakt veroordeelden eer 'schadelijker'. Onjuist is de opmerking 'dat misdaad er is, en men door straffen niet méér misdadigers maakt'. Ook alle bijzondere maatregelen die men thans voorstelt zullen eenvoudig meer nieuw kwaad veroorzaken. Het geeft alles niets: het afschrikkingsbeginsel zal ook thans fiasco maken, zoals zij dat ten allen tijde gedaan heeft. (...)

Dat men nu toch weer naar afschrikking grijpt is misschien hoofzakelijk hierom, omdat de mens dan toch iets doen wil. Omdat de nieuwe inzichten nog maar weinig in het onderbewustzijn doorgedrongen zijn, vooral theorie zijn geweest en gebleven. Duizenden jaren hebben onze voorouders leed met leed vergolden en hebben zij hun eigen belangen gehandhaafd door anderen op gruwzame wijze van aantasting ervan af te schrikken. Dit alles leeft nog voort en zal nog lang voortleven in de instincten der mensen. n tijden van betrekkelijke rust kon de stem der rede zich doen horen, men verbeterde rijksopvoedingsgestichten, organiseerde tehuizen voor schoolgaanse kinderen, reclassering van ontslagen gevangenen. Altemaal dingen die de laatste oorzaken van de misdaad niet raken, altemaal maatregelen die nog betrekkelijk aan de oppervlakte bleven, maar die tenminste gebroken hadden met afschrikking en vergelding, die zich tenminste bewogen in de richting van een goede opvoeding en opheffing van economische nood (al gebeurde dat laatste bijgebrek aan economisch inzicht te uitsluitend individueel). In tijden van beroering gaan de oude instincten van oog om oog echter weer spreken, erger nog, men valt terug in gevoelens van vóór het ius talionis.

Niet alleen de criminaliteit, ook het strafrecht beleeft thans een crisis. En daarom wordt het tijd dat we wakker worden, en met schrik zien waar we mee bezig zijn heen te drijven: een herleving van middeleeuwse strafopvattingen, en straks - de hemel, nee, wijzelf mogen het verhoeden- van middeleeuwse straffen. Tijd dat we opnieuw beginnen de instincten van vergelding en afschrikking te bestrijden, en ons opnieuw realiseren wat de wetenschap ons omtrent de oorzaken van criminaliteit geleerd heeft. Had niet juist de oorlogstijd ons wijzer kunnen maken? Als er iets is dat ons het belang van economische omstandigheden voor crimineel gedrag gedemonstreerd zou kunnen hebben, dan is het toch wel de ontzaglijke toename ervan door de algehele ontreddering binnen enkele jaren tijds dus onder geheel dezelfde mensen als vroeger?

Wanneer men de oorzaken van criminaliteit -tot op zekere hoogte terecht- zoekt ‘in het menselijk hart’, doch daaruit de conclusie trekt dat verbetering van de economische omstandigheden van weinig betekenis zou zijn, dan moet men zich ten eerste afvragen of dat hart niet onder verschillende omstandigheden verschillend reageert, of er dus geen wisselwerking is tussen beide. Is het dan -ten tweede- niet zo, dat in verband met de maatschappelijke omstandigheden (klassewetgeving e.d.) bepaalde groepen van feiten die uit boosheid kùnnen voortvloeien strafbaar zijn gesteld en andere niet; ja zelfs of niet tegen allerlei feiten straf dreigt, terwijl die uit zeer edele motieven kunnen voortkomen? En in de derde en voornaamste plaats: of dan waarlijk, voor zover veroordeelden inderdaad 'bozen van hart' zijn, gevangenisstraf het aangewezen middel is om de boosheid op te heffen?!

Als we ons de persoonlijke én de maatschappelijke oorzaken van criminaliteit herinneren, dan zal de instinctieve drang tot handelen, die nu zovelen drijft om te roepen om politie en gevangenissen, hoe dan ook plaats maken voor de gedachte: beter niets doen dan verkeerd doen. En dit inzicht is nodig; want inderdaad, er kan thans weinig gedaan worden. Ook preventief niet. De criminaliteit in het algemeen en de oorlogscriminaliteit in het bijzonder is een van de 'vruchten' waaraan wij de boom -onze maatschappij- leren kennen; en de vruchten zullen pas heel anders van aard zijn, wanneer die hele boom gezonder is geworden - Wie dus de misdadigheid bestrijden wil, die werke dus daarvoor.

Kunt ge niet nalaten, mee te werken aan directe maatregelen, doe dat dan aleeen zonder er veel van te verwachten en werk de goede richting op; verspil geen krachten aan hopeloos werk. Ook onder diegenen, die zich hebben opgewerkt tot het inzicht dat preventie beter is dan repressie heerst nog veel illusie. Wat verstaat men al niet onder 'preventie'!! De NRC schrijft dat 'een gezonde criminele politiek ernaar behoort te streven, de misdaad in haar oorzaak te bestrijen' en concludeert daarom tot ... een vermeerdering der politie. Alsof de afwezigheid van politie de oorzaak van criminaliteit ware!! Geef kinderen voldoende te eten, hevorm het onderwijs, bestrijd het alcoholisme en de woningnood!! Maar dat is het laatste nog niet.: Niet alleen de onmiddellijke honger, de ganse demoraliserende werking van het huidige maatschappelijke stelsel is aansprakelijk voor de mate van onze criminaliteit!

Tegenover diegenen die uit een min of meer onberedeneerde drang tot handelen nu maar direct willen ingrijpen, kan niet genoeg worden gewaarschuwd: bedenk dat uw handelingen gevolgen hebben. Dat ge met uw verscherping van afschrikwekkende straffen een tweesnijdend zwaard hanteert, met uw opeenhoping van maatschappelijke of zedelijke schipbreukelingen, aan wier schipbreuk onze maatschappij als geheel mede schuld is, met uw verdeling van het volk in politieagenten en veroordeelden!! Bedenk bovenal dat het toch niets oplevert, omdat je alleen langs een indirecte weg voorkómen kan. Verbeeld je dus niet, dat als je nu dadelijk iets doet, dat dat ook dadelijk iets helpt. Aleen door een gunstige ontwikkelingsbodem te scheppen, door al het mogelijke te doen om he opgroeien van een gezond, harmonisch mensengeslacht te bevorderen, door een economische orde voor te bereiden waarin niet de ene mens een vijand van de ander is, kunnen wij het verschijnsel 'criminaliteit' bestrijden.

Betere beheersing van de drang tot handelen en ingrijpen zal ook tot gevolg hebben dat men de illusie opgeeft dat mensen van ongewenst gedrag zouden zijn af te houden, enkel en alleen door hen dat te verbieden. 'Veel wetgevers schijnen te geloven dat het onze enige taak is te ordenen, te gebieden en te verbieden, en te dreigen met de nodige strafmaatregelen. Alleen dan is alles in de beste orde.' Maar niets is minder waar. En wanneer zij, die de indirecte weg voorstaan, door de mensen van het onmiddellijke ingrijpen utopisten worden genoemd, dan kunnen we daar tegenover stellen:

dat het integendeel ten allen tijde utopie is gebleken de mensen door verbod en straf betere wegen uit te leiden, en dat alleen practisch is gebleken, het veel omslachtiger, veeleisender en langdurger werk van het omzetten van de oorzaken van kwaad in factoren van goed.

November 1918
 


Geen mens is illegaal

Harry Westerink

Anarchisten staan bekend om hun ideologische kritiek op de staat. Van oudsher lopen zij te hoop tegen uiteenlopende vormen van geweld, uitbuiting en uitsluiting die worden veroorzaakt door de overheid. Het in Europa op grote schaal rechteloos en illegaal maken van mensen door het staatsapparaat is een duidelijk voorbeeld van beleid dat leidt tot een systeem van apartheid. Anarchisten kunnen hun kritiek in praktijk brengen door samen met illegalen de strijd aan te binden tegen de staat. De strijd voor legalisering van alle zogeheten 'witte illegalen' en alle andere illegaal gemaakte vluchtelingen zou dan ook massaal door anarchisten ondersteund dienen te worden, in woord en in daad.

In Den Haag, Amsterdam, Rotterdam en andere steden hebben 'witte illegalen' de afgelopen maanden de handen ineengeslagen om gezamenlijk voor hun rechten op te komen. Zij hebben week in week uit in samenwerking met solidaire organisaties picketlines, fakkeltochten, petities, demonstraties, bezettingen en hongerstakingen georganiseerd. In december 1998 hebben 132 'witte illegalen', die toen tijdelijk in de Agneskerk in Den Haag verbleven, 17 dagen geweigerd te eten. Die hongerstaking vormde het startsein van een intensieve lobby- en actiecampagne voor legalisering van 'witte illegalen'. In februari en maart 1999 namen 15 Turkse vrouwen en 34 Marokkaanse mannen wekenlang geen voedsel tot zich. Zij allen legden hun leven in de waagschaal om gehoord te worden.

Extreme armoede

'Witte illegalen' zijn mensen die al jaren in Nederland wonen en werken. Zij hebben een sofinummer gekregen en zich ingeschreven in het bevolkingsregister in hun woonplaats. Veel van hun kinderen zijn in Nederland geboren en opgegroeid. 'Witte illegalen' hebben jarenlang belastingen en premies betaald en een grote bijdrage geleverd aan de Nederlandse economie. Door hun rechteloosheid hebben arbeiders zonder verblijfspapieren een zwakke positie op de arbeidsmarkt. Zij werken in de land- en tuinbouw, de schoonmaaksector en de naaiateliers. Deze sectoren worden gekenmerkt door zwaar werk, slechte arbeidsomstandigheden, lange werkdagen, lage lonen, en een grote inkomensonzekerheid.

De beruchte Koppelingswet die op 1 juli 1998 in werking is getreden, is in strijd met diverse internationale mensenrechtenverdragen. De wet vormt het sluitstuk van een hele reeks maatregelen die erop zijn gericht om mensen zonder verblijfsvergunning zoveel mogelijk van het maatschappelijk leven uit te sluiten. De rechten die 'witte illegalen' hebben opgebouwd, zijn hen ontnomen met de invoering van de Koppelingswet. De gevolgen daarvan zijn de laatste maanden steeds duidelijker geworden. Hele groepen mensen raken veroordeeld tot een onleefbaar en rechteloos bestaan, zonder inkomen, huisvesting, verzekering, enzovoorts. De armoede onder 'witte illegalen' is inmiddels tot extreme en voor 'legale' Nederlanders onvoorstelbare hoogte gestegen.

Groeiend verzet

Gelukkig heeft het verzet tegen deze ontwikkelingen in Nederland de laatste tijd flink aan kracht gewonnen. In januari 1999 heeft een breed verband van organisaties het landelijke comité 'Geen mens is illegaal' opgericht. Tot die organisaties behoren de Vereniging van vrouwen uit Turkije in Amsterdam (ATKB), Amsterdam Anders, Marokkaanse arbeiders zonder papieren (COMV), de Federatie Democratische Arbeidersverenigingen in Nederland (DIDF), de Marokkaanse vereniging El Ouahda, de Vereniging van mensen zonder verblijfsvergunning Elsabr, De Fabel van de illegaal, het Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland (KMAN), Nederland Bekent Kleur, Turkse arbeiders zonder verblijfsvergunning (OIB), het Platform Buitenlanders Rijnmond, het Actiecomité Plus6-min6, Participating Refugees In Multicultural Europe (PRIME), de Socialistische Arbeiderspartij (SAP), en de Turkse Studenten Vereniging (TSV). Het comité Geen mens is illegaal heeft twee algemene uitgangspunten. Ten eerste streeft het comité naar een verblijfsvergunning voor iedereen die kan aantonen dat hij of zij vóór de invoering van de Koppelingswet in Nederland een bestaan had opgebouwd. Daarnaast zet het comité zich in voor de afschaffing van de Koppelingswet.

Op 1 februari 1999 bleek dat slechts 13 van de Haagse Agneskerk-hongerstakers van staatssecretaris Cohen een verblijfsvergunning krijgen. Sindsdien is de strijd voor legalisering onverminderd doorgegaan. Dat geldt voor de afgewezen ex-hongerstakers en voor alle andere mensen zonder papieren. Vrouwen spelen daarbij zeker een belangrijke rol. Veel vrouwen zonder verblijfsvergunning hebben nauwelijks de mogelijkheid gehad om 'wit' te werken. Anderen hadden ooit een afhankelijke verblijfsvergunning, maar zijn gescheiden. Hun positie is nog beroerder dan die van mannelijke 'witte illegalen'.

Historische woorden

De hongerstakingen en de acties eromheen hebben de situatie van de slachtoffers van de Koppelingswet onder de aandacht gebracht van de hele Nederlandse samenleving. Dat maakte ontzettend veel solidariteit los. Er is ook wat gaan schuiven in politiek Den Haag, al komt dat bij stemmingen in de Tweede Kamer nog niet zo duidelijk tot uiting. De grenzen van wat in de politiek 'reëel' wordt genoemd, liggen gelukkig niet zo vast als soms wel wordt gedacht. Een hoop organisaties hebben zich solidair verklaard met de 'witte illegalen', waaronder de Raad van Kerken, de FNV, het CNV, de SP, GroenLinks, zo'n 130 advocaten, diverse gemeentebesturen, en de voorzitters van de PvdA-fracties van Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Amsterdam. Daarnaast natuurlijk ook talloze migranten- en vluchtelingenorganisaties, en solidariteits-organisaties.

Zelfs Wim Kok toonde zich solidair, maar dan wel de Wim Kok van 20 jaar geleden. In 1978 namelijk voerden 'illegale' arbeiders ook actie voor het recht op verblijf in Nederland. Ook zij, 182 Marokkanen, gingen toen in een kerk in hongerstaking, Op 16 september 1978 sprak Kok, destijds voorzitter van de FNV, een landelijke demonstratie voor legalisering van deze Marokkanen toe met de volgende historische woorden: ‘Ik heb geen goed woord over voor een regeringsbeleid dat de asociale en illegale praktijken van werkgevers beschermt en de meest zwakke arbeiders onderdrukt door hen door middel van uitzetting een boete te laten betalen voor iets, waaraan zij niet als eerste schuldig zijn. Uit menselijke en humanitaire overwegingen vinden wij dat het de Nederlandse regering zou sieren, wanneer zij gehoor zou geven aan de brede protest- en solidariteitsgolf die in Nederland is ontstaan ten gunste van deze 182 vrienden die, na 3 jaar te hebben gevochten voor een rechtvaardige behandeling, voor werk, brood en vrijheid, niet meer uit deze samenleving mogen worden uitgesloten. Jullie strijd is onze strijd en we laten jullie niet in de steek.’ Inmiddels staat Kok al jaren aan de kant die hij 20 jaar geleden beweerde te bestrijden. De huichelachtige sociaal-democratie in een notedop.

Het comité Geen mens is illegaal heeft nog steeds grote behoefte aan financiële en andere vormen van ondersteuning van de 'witte illegalen'. Wil je meehelpen, neem dan contact op met het landelijk secretariaat van het comité

Geen mens is illegaal, Koppenhinksteeg 2, 2312 HX Leiden.

Giften zijn van harte welkom op girorekening 4418467 t.n.v. De Fabel van de illegaal te Leiden o.v.v. 'Donatie Geen mens is illegaal!

tel: 071-5127619 of 071-5144217 fax: 071-5134907.

email: lokabaal@dsl.nl